Freud en adler

Psychoanalyse en ‘individualpsychologie’
Hoe een theorie gepopulariseerd wordt

Dr P.H. Ronge, Individualpsychologie. Een Systematische Uiteenzetting. (Erven J. Bijleveld, Utrecht 1934).

In de eerste zijner Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse heeft Freud met de nuchtere, exacte duidelijkheid, die kenmerkend is voor zijn stijl, uiteengezet, waarom de psychoanalyse bij veel menschen, wetenschappelijk georiënteerden zoowel als leeken, op tegenstand moest stuiten. ‘Met twee van haar thesen’, zegt Freud terecht, ‘kwetst de psychoanalyse de geheele wereld en haalt zij zich den afkeer van die wereld op den hals; de eene these komt in botsing met een intellectueel, de andere met een aesthetisch-moreel vooroordeel. Men moet niet te geringschattend over deze vooroordeelen denken; het zijn machtige dingen, die den neerslag vormen van nuttige, ja noodzakelijke evoluties der menschheid. Zij worden door affectieve krachten gedragen en het is moeilijk tegen hen te strijden’.

Met deze beide thesen bedoelt Freud ten eerste de stelling door de psychoanalyse als ‘grondwaarheid’ beschouwd, te weten: de psychische processen ‘an und für sich’ zijn onbewust, en de bewuste processen zijn slechts afzonderlijke onderdeelen van het zieleleven als totaliteit; ten tweede de stelling, die uit de eerste vanzelf voortvloeit: dat de sexualiteit niet alleen in de geestesziekten, maar ook in de hoogste cultureele, artistieke en sociale prestaties der menschen een buitengewoon belangrijke rol speelt. Het ligt voor de hand, dat zulke theorieën den overwinnaar mensch, die met de technische triomfen van de negentiende eeuw achter zich meende den kosmos op de knieën te kunnen brengen voor zijn intellect, zeer onaangenaam in de ooren hebben geklonken; het ligt evenzeer voor de hand, dat hij geen moeite heeft gespaard om zich te verdedigen tegen een leer, die hem van zijn privileges als rationeel wezen dreigde te berooven. Men laat nu eenmaal niet gaarne varen wat men met goed gevolg heeft gebruikt; dus zette de negentiende-eeuwsche mensch, die in dit opzicht aarzelde de twintigste binnen te gaan, zich schrap om met alle beschikbare middelen af te weren wat hem in zijn intellectueele zelfgenoegzaamheid zou kunnen storen. Het behoeft hier wel geen betoog, dat men nog geen aanhanger van de psychoanalyse behoeft te zijn om in te zien, dat de strijd tegen de psychoanalyse dikwijls met de domste wapenen is gevoerd; en dat de psychoanalytici zich tegenwoordig nog altijd (hoewel hun aandeelen zeer belangrijk gestegen zijn en hun leer in gepopulariseerden vorm overal ingang begint te vinden) met een martelaarsgezicht plegen te rechtvaardigen, is werkelijk voor een groot deel het gevolg van de wijze van bestrijding. Men heeft geen verdachtmakingen gespaard en geen goedkope uitvluchten versmaad om zich te bevrijden van het monster, dat het heilige aantastte; en als er één argument is, dat voor de ‘waarheid’ van Freud en de psychoanalyse pleit, dan is het wel dit soort instinctief verzet, gedragen door de ‘affectieve krachten’, waarvan Freud in zijn Vorlesungen heeft gewaagd.

De wereldoorlog als argument voor het onbewuste

Met dat al: er is zooiets geweest als een wereldoorlog. Het is zelfs voor den consequentsten rationalist bezwaarlijk dezen collectieven waanzin te verklaren uit een samenstel van redelijke motieven. De eenige verklaring, die zich hier vanzelf opdrong, was: het cultureele oppervlak van den geciviliseerden mensch mag niet geïdentificeerd worden met den geheelen mensch; het is hoogstens de schoon gestyleerde vorm, de apollinische gestalte, die de vormelooze driften, de dionysische lava, in bedwang houdt. Het is een van de opmerkelijkste verschijnselen van den oorlog, dat geen van de belligerenten zich intellectueel verantwoordelijk wil stellen voor de ramp; er worden onmiddellijk pogingen in het werk gesteld om die verantwoordelijkheid op de tegenpartij af te schuiven, waarop door die tegenpartij met dezelfde argumenten wordt gereageerd, zoodat de neutrale toeschouwer, die van dit spel getuige is, wel tot de conclusie moet komen, dat het phaenomeen oorlog, dat men elkaar toekaatst, ‘uit de lucht is gevallen’! Rationeel is er geen oorlog, want niemand heeft hem ‘gewild’; en toch is de massale slachting een concreet feit! M.a.w.: de oorlog ontsnapt den mensch en zijn beschaving en werpt alle verstandelijke normen overhoop, alsof zij nooit hadden bestaan.

Het is dus geen wonder, dat na afloop van den wereldoorlog de cultus van het onbewuste een tijdlang hoogtij vierde, in de vormen b.v. van Dada en surréalisme. Het surréalisme wierp zich op Freud; in hem vond het den apostel van het irrationeele, dien het noodig had; men mag wel zeggen, dat de psychoanalyse in den wereldoorlog voor haar leerstuk van de onbewuste psychische processen de massale bewijskracht heeft gevonden en dat de surréalisten zich gehaast hebben om daarvan de consequenties te trekken voor het cultuurleven. Het gevolg is geweest, dat de publieke opinie zich langzaam maar zeker wijzigde. De populaire boekjes over de psychoanalyse begonnen zich te vermenigvuldigen; Freud werd als thema van gesprek ‘interessant’; het motief ‘sexualiteit’ liet niet na eenige pikante effecten op de litteratuur te sorteeren; de oude mechanistische psychologie geraakte op den achtergrond; het psychoanalytisch jargon liet (zooals ieder dialect voor ingewijden, waarvan het een en ander uitlekt) zijn aantrekkingskracht gelden; en zoo treft men omstreeks het jaar 1930 de psychoanalyse in lang niet ongunstige condities aan. Het heftigste verzet van de zijde der rationalisten is gebroken, terwijl de kunstenaars (van wier symbolen Freud trouwens altijd dankbaar gebruik had gemaakt ter staving van zijn theorieën; de eene dienst is den anderen waard) er het hunne toe hebben bijgedragen om de nieuwe ‘leer’ in den suggestieven vorm der verbeelding door te geven aan het ‘volk’.

Wie schetst dus mijn verbazing, toen ik eenigen tijd geleden een heer ontmoette die mij vroeg: ‘Wie is toch die Fruit, waar je tegenwoordig zooveel over hoort praten?’ Want inderdaad, zulke mensen zijn zeldzaam geworden, en daarom eerlijk gezegd ook wel een weinig verfrisschend, nu iedereen ‘ingelicht’ is, zooals dat heet, over ‘verdringen’, ‘sublimeeren’ en het Oedipus-complex...

Adler als ‘afronder’

Ik wil er, na deze kleine uitweiding over het populair-worden der psychoanalytische thesen, echter dadelijk den nadruk op leggen, dat de werkelijk ‘gevaarlijke’ elementen in de leer van Freud van die populariteit uitgesloten zijn gebleven en dat Freud zelf aan dezen lichtelijk belachelijken cultus van zijn geprofaneerde ideeën weinig of geen schuld heeft. Freud is steeds gebleven wat hij van den beginne af was: een zakelijk, nuchter onderzoeker uit de natuur-wetenschappelijke school, die de psychoanalyse bij voorkeur beschouwde als een aequivalent van de ‘Infinitesimalrechnung’ (deze vergelijking maakt hij in Die Zukunft einer Illusion). Als Freud de populariteit van zijn ‘leer’ dan desondanks toch in de hand mag hebben gewerkt, dan komt dit alleen, omdat ieder man van de wetenschap gelooft in de waarheid van zijn vondsten en dus de verbreiding van die waarheid ook zeker niet in den weg zal staan; voor de rest heeft hij zich eer te voorzichtig dan te voortvarend betoond (ook al verwijt men hem op sommige punten fantastische interpretatie) en zeker nooit aan wonderdoenerij gedaan om de goegemeente in zijn tent te lokken. Ook heeft hij nooit trachten te suggereeren, dat de psychoanalyse geschikt was om de menschen te stichten of een ‘ersatz’ te bieden voor den godsdienst. Populair werd dus eigenlijk niet de strenge theorie van Freud, maar het tamelijk willekeurige bezinksel daarvan in de ‘algemeen-begrijpelijke’ boekjes; en populair zou vooral diegene worden, die er in slaagde Freud te ontdoen van zijn kwetsende nuchterheid en de psychoanalyse om wist te vormen tot een verzoenend, ongevaarlijk, zorgvuldig afgerond element, waarvan niemand zich meer zou kunnen stooten.

Die man was Alfred Adler, de schepper der z.g. ‘Individualpsychologie’; in zijn gevolg schreed de nog populairder Künkel. Aan Alfred Adler en zijn theorieën heeft de Utrechtse arts dr. P.H. Ronge thans een boek gewijd, dat een zeer helder en op de essentieele punten compleet overzicht geeft van die verzoeningspogingen. Ik wil deze verdiensten van het boek voorop stellen, omdat ik Adlers gedachtengang, juist op die essentieele punten, vergelijken moet met dien van Freud; zulke een vergelijking houdt een waardering in, die niet ten gunste van Adler uitvalt. Het zou onbillijk zijn, als het zakelijk gestelde overzicht van dr. Ronge daar onder moest lijden. Wat dr. Ronge doet is niets anders dan Adler en de ‘Individualspsychologie’ (met begrijpelijken voorkeur) samenvatten; na dus vastgesteld te hebben, dat deze samenvatting een goed beeld geeft van Adlers leer, is de recensent gedwongen zich te richten tot Adler zelf, over het hoofd van dr. Ronge heen, die het intusschen met Adler wel eens zal blijven. Ik ben mij daarbij zeer wel bewust, dat ik daarbij meeningen zal verkondigen, die voor velen ketterij zijn, en ik moet diegenen dus verzoeken mijn persoonlijk inzicht, dat geen andere bedoeling heeft dan persoonlijk te zijn, aan het hunne te toetsen.

Van pessimisme tot optimisme

Zooals Adler uit het boek van dr. Ronge naar voren komt (en, naar het mij toeschijnt, geheel terecht), verhoudt hij zich tot Freud als het talent tot het genie. Ik neem deze woorden niet als starre grootheden, alsof ik daarmee zou willen zeggen, dat de geheele Freud geniaal en de geheele Adler van genialiteit verstoken zou zijn; wat men voor geniaal houdt, is trouwens altijd betrekkelijk en mijn vergelijking bedoelt dus slechts een accent te geven. In de toepassing zal blijken, wat ik met dit accent bedoel.

Ook het genie valt niet uit de lucht; maar hoeveel geestelijke voorouders men ook zal kunnen aanwijzen om Freud en zijn psychoanalyse te ‘verklaren’, men zal er niet in slagen aannemelijk te maken, dat Freuds groote ideeën, die zijn werk beheerschen, de ideeën van een epigoon zijn. Het onbewuste en de sexualiteit bestonden ook vóór Freud in de wetenschap; maar de wijze, waarop Freud deze elementen samenvatte tot een geheel, zoodat zij, als geheel, een revolutioneerende werking konden hebben op het wetenschappelijk wereldbeeld, is daarmee allerminst ‘verklaard’. Het geniale moment kan men niet over het hoofd zien zonder tot de schromelijkste verdraaiingen van Freuds prestaties te komen. Wat is daarentegen de beteekenis van Adler? Adler had talent genoeg om in te zien, dat de psychoanalyse niet te bestrijden was met de ouderwetsche middelen van het rationalisme; hij had ook talent genoeg om in te zien, dat men de geniale ontdekkingen der psychoanalyse moest annexeeren, eer men behoedzaam ‘den Weg zurück’ kon inslaan; en ook had hij talent genoeg om met onfeilbare zekerheid die punten te vinden, waarop de psychoanalyse nooit tot volledige populariteit zou kunnen geraken, en daar, in de plaats van het hoekige, scherpe en steile, het ronde, verzoenende en gematigde aan te brengen. Adler, de talentvolle, begon dus met de psychoanalyse te ontdoen van haar pessimisme, ‘dat in strijd is met het wezen van den gezonden, natuurlijken mensch’, gelijk dr. Ronge zegt (hij schijnt dit voor een bewijs te houden); daarom verving Adler de prozaïsche, nuchtere principes ‘honger’ (Ich-Triebe) en ‘liefde’ (Sexual-triebe), waarmee Freud opereerde, door de veel hoopvoller klinkende termen ‘ik-gevoel’ en ‘gemeenschapsgevoel’. Hier ligt het andere cardinale verschilpunt tusschen Freud en Adler, niet, zooals men wel eens hoort beweren, in het feit, dat Freud alles tot sexualiteit herleidt en Adler ook andere factoren laat meespreken; dit laatste is slechts het gevolg van Adlers optimistische, verzoenende, populariseerende omwerking van Freud. Voorop staat de bedoeling – men heeft bewijzen te over, wanneer men Adlers geheele ‘Individualspsychologie’ overziet – om die elementen uit de psychoanalyse te verwijderen, die haar succes bij het ‘groote publiek’ in den weg staan. Het woord ‘gemeenschapsgevoel’ zet de deur open voor alles, wat door Freud met zijn onkreukbare wetenschappelijkheid werd geweerd; het is welbewuste berekening, dat hier het zooveel oncomplimenteuzer woord ‘kudde-instinct’ vermeden wordt. Immers: het individu moet zich, volgens Adler, aanpassen, steeds maar aanpassen; hoe beter passend het ‘levensplan’ van het individu voor de hem geboden omstandigheden is, des te meer zal het gemeenschapsgevoel den boventoon bij hem voeren. (Men denkt hier onwillekeurig aan Napoleon, die toch ook een soort ‘levensplan’ had, maar van gemeenschapsgevoel weinig last had...). Het minderwaardigheidsgevoel (het centrale en aantrekkelijkste punt van Adlers systeem), dat bij het kind ontstaat door zijn besef van hulpbehoevendheid en zwakte tegenover de wereld en dat gecompenseerd wordt door een naar-boven-willen, een sterker-willen-zijn, moet in de banen van het ‘gemeenschapsgevoel’ worden geleid; en hoe onaangenaam zou het niet klinken, als men hier sprak van ‘kudde-instinct’!

Het ‘levensplan’

Het ‘gemeenschapsgevoel’ mag in de Individualspsychologie dus geen probleem worden; want men mocht eens tot de conclusie komen, dat onze cultuur zelf tot de neurotische verschijnselen behoort (aldus August Stärke in zijn belangrijke brochure Psychoanalyse und Psychiatrie)! Om aan zulke consequenties te ontsnappen, wendt Adler zich af van Freuds analytische methode en komt tot het fabelen over ‘een regelend principe, dat de oorzaken verbindt en ze alle richt op het zelfde doel, dat in het resultaat, het zinvol werkend systeem, belichaamd is’ (Ronge, p. 45). Dat regelend principe, dat ‘levensplan’, waaraan elk menschenleven onderworpen is, heeft de nuchtere Freud, volgens de ‘Individualpsychologen’, over het hoofd gezien! Freud is volgens Adler geheel bevangen gebleven in de natuur-wetenschappelijke denkwijze en Adler geeft zich dus veel moeite om aan te toonen, dat zijn ‘dynamisch’ methode verre de voorkeur verdient. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen, dat Freud aan de natuurwetenschappelijke denkwijze is blijven vastkleven; is dat echter een reden om langs een ‘dynamischen’ omweg een ‘levensplan’ in de wetenschap binnen te smokkelen? Maar ik wees er boven al op: Adler is er op uit, de psychoanalyse om te zetten in een optimistisch, eenvoudig, voor iedereen gemakkelijk te begrijpen denkwijze; en daarbij kan een ‘levensplan’ en een doel niet gemist worden. Dr. Ronge stelt het dan ook zoo voor, als zou Adler door zijn ‘levensplan’ c.a. in te voeren een minstens even belangrijken stap hebben gedaan als Freud, toen hij de grondslagen der psychoanalyse formuleerde. Het tegendeel is waar: door de exact-wetenschappelijke methode in den steek te laten, heeft Adler de wetenschap op het peil gebracht van een stichtelijk tractaatje, waar zij voortaan weer zal moeten gehoorzamen aan het ‘doel’, dat Adler voor haar heeft uitgezocht.

Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de ‘Individualspsychologie’ van een groot aantal termen gebruik maakt, die meer stichtelijk dan wetenschappelijk zijn. De ethische strekking ligt er duimendik bovenop. ‘Uitgaande van twee fundamenteele, biologisch noodzakelijke, schijnbaar tegenstrijdige gevoelens, die echter in werkelijkheid synthetisch samenwerken, komt zij door logische redeneering, steunend op de ervaring bij zieken en gezonden, tot de slotsom, dat de zin van het leven het bindende, het religieuse, de liefde is’, zegt dr. Ronge op p. 161 van zijn boek. Ziehier de vage speculaties, die Freud altijd in de wetenschap wist te vermijden, omdat zij met wetenschap niets uitstaande hebben! In de middeleeuwen placht men naar logische bewijzen voor het bestaan van God te zoeken; op precies dezelfde wijze construeert Adler wat hij noemt ‘eine wissenschaftliche Ueberzeugung vom Sinn des Lebens’. Maar (typeerend voor dit soort schijnwetenschap!) met hetzelfde gemak is men in dit kamp bereid dezen ‘zin des levens’ als niet meer dan een hulpmiddeltje te beschouwen; ‘het is er ons immers niet om te doen of onze theorieën waar, maar alleen of zij bruikbaar zijn.’ (Ronge, p. 220). Waar is nu die ‘zin des levens’? Blijkbaar in de bruikbaarheid; en dat de ‘zin des levens’ een zeer bruikbaar hulpmiddel voor bepaalde doeleinden kon zijn, wist de gesmade Freud ook al lang...

Een ander afvallig discipel van Freud, de thans in Duitschland in koers gestegen Jung (Freud en Adler zijn Joden), heeft eens gezegd, dat Adler schreef voor ‘Lehrer und Geistliche’. Dit was prijzend bedoeld; wij willen hopen, dat hij daarmee niet bedoelde, dat Adler zich daarom mocht onttrekken aan de verantwoordelijkheid, die de wetenschap als zoodanig oplegt.

Theorie en practijk

Van de bruikbaarheid van Adlers ‘Individualpsychologie’ geeft het boek van dr Ronge verschillende voorbeelden; aangezien zij thuisbehooren bij de practische psychologie en de psychiatrie, terreinen die ik aan bevoegden overlaat, vermeld ik deze lezenswaardige hoofdstukken slechts pro memorie. Ik zou er alleen dit van willen zeggen, dat een theoretisch zwakke basis practische bruikbaarheid natuurlijk in het geheel niet uitsluit; met name het minderwaardigheidsgevoel, dat in Adlers psychologie zulk een groote rol speelt en dat tevens gemakkelijk te begrijpen is voor de talloozen, die zich in hun verhouding tot de wereld om hen onveilig voelen, heeft in de practijk dikwijls bewezen een handig hulpmiddel te zijn. In bovenstaande beschouwing ging het echter slechts om Adler als theoreticus, en als theoreticus moet ik hem den mindere noemen van zijn leermeester Freud.

Op het heldere overzicht van dr Ronge zou ik verder slechts een kleinigheid af willen dingen. De schrijver schijnt soms n.l. niet precies te weten, wat Nederlandsch en wat Duitsch is. ‘Een andere wortel heeft het in het gevoel van het kind wanneer het meent niet geliefd te worden’ (p. 84) lijkt mij b.v. een wel wat al te letterlijke vertaling van ‘nicht geliebt zu werden’. En eigenlijk mocht dr. Ronge ook wel een woord zien te vinden voor ‘Individualpsychologie’ en ‘individualpsychologisch geschoolde onderzoekers’. Het klakkeloos overnemen van deze termen uit het Duitsch maakt den indruk van slaafsche gehoorzaamheid aan andermans (in casu: Adlers) systeem.

 

Menno ter Braak

 

Buig voor intelligentie, kniel voor de goedheid!

 

Dit artikel verscheen als Freud en Adler in Verzameld Werk, deel 5, pagina 274.