Ethiek der wapenindustrie

Een onderhoud met Paul Koster, directeur-generaal voor Europa van de American Armament Company
De wereld wil zelf wapens!
Hij gelooft niet aan beïnvloeding van de pers

Op den omslag van het bekende werk over de particuliere wapenindustrie, ‘Merchants of Death’, van H.C. Engelbrecht en F.C. Hanighen, waarin men overigens nog al wat interessant materiaal kan vinden over dit merkwaardige bedrijf, is afgebeeld een soort monsterlijke gorilla met een gasmasker op, een geweer met bajonet in de rechter en een bom in de linkerhand; het geheel natuurlijk omstraald door een duivelschen rooden gloed. Als alle ‘sterke’ voorstellingen is ook deze eenigszins misleidend, omdat de lezer er de conclusie uit zou kunnen trekken, dat het de ‘koopman’ zelf was, die in een dergelijke monster-gedaant onder ons rond waart; terwijl het boek juist dien koopman als koopman behandelt, suggereert de band een wezen uit de hel.

 

Men vergeet vaak, wanneer men zijn rechtmatigen afkeer uitspreekt van de particuliere wapenindustrie, dat een collectief wezen (de wapenindustrie als instituut) zich als een demonische factor kan manifesteeren in de maatschappij, terwijl de afzonderlijke representanten daarom nog zeer wel fatsoenlijke handelslieden van in het geheel niet demonischen aard kunnen zijn. Ik heb daarom getracht in mijn onlangs verschenen tooneelstuk ‘De Pantserkrant’ en in den daaraan toegevoegden brief vooral getracht aannemelijk te maken, dat de wapenfabrikant niet zou kunnen bestaan, wanneer de maatschappij zelf hem niet de gelegenheid gaf zijn bedrijf uit te oefenen. ‘Mijn afkeer van de wapenindustrie is dus allerminst een verachting voor deze nijvere, in vele gevallen met moeite naar boven gekomen zakenmenschen, met hun doorgaans breeden blik en een interessant liefdeleven aan de Riviera op den achtergrond; men kan zich zonder moeite een maatschappij denken (en er zijn zulke maatschappijvormen in de geschiedenis aanwijsbaar), waarin wapenfabrikanten en -handelaren zich werkelijk niet onderscheiden van bezorgers van verhuizingen’. Alle critiek op de wapenindustrie valt dus terug op de maatschappij zelf; men kan de ‘kooplieden des doods’ hoogstens beschouwen als een bijzonder krasse uitdrukkingsvorm van de maatschappelijke constellatie.

Als voorbeeld van den wapenindustrieel noemde ik in deze brief, toegevoegd aan ‘De Pantserkrant’, den heer Paul Koster, wiens naam destijds genoemd werd in verband met de onthullingen over de wapenfabricage in Amerika. Ik noemde dezen heer, en juist hem, omdat hij mij een voor Nederlanders concreet voorbeeld leek, niet alleen vanwege zijn naam, maar ook om zijn vroegere relaties met de Nederlandsche Marine. Dat hij mij als persoon totaal onbekend was, spreekt vanzelf; want de heer Koster woont te Parijs en houdt zich al meer dan vijf-en-twintig jaar ver van ons land.

Hoe de heer Koster zijn carrière begon.

Het avontuur en de romantiek zijn echter de wereld nog niet uit. Want toevallig hoorde ik dezer dagen, dat mijn symbolische tegenstander in den Haag vertoefde, en deze gelegenheid wilde ik niet laten voorbijgaan om te trachten mijn meening over de verhouding van wapenindustrieel en -fabrikant te verifieeren aan den levenden mensch. Ik verzocht dus den heer Koster, directeur-generaal voor Europa van de American Armament Corporation, om een onderhoud en wel speciaal om verlof hem eenige vragen te mogen stellen over zijn standpunt inzake de ‘ethiek’ van de wapenfabricage. En wat men nu ook van den heer Koster wil zeggen, men zal moeten toegeven, dat hij niet kleinzielig is; hij ontving mij n.l. met groote voorkomendheid en toonde niet de minste rancune, hoewel ‘De Pantserkrant’ voor hem op tafel lag, waarin over zijn persoonlijkheid, zij het dan ook als symbool van een groep, niet bepaald hartelijk wordt gesproken.

Uiterlijk is deze z.g. ‘koopman des doods’ een zeer conversabele, hoffelijke, reeds wat oudere heer met een grijze snor, die wel een ontgoocheling moet zijn voor een ieder, aan wiens geestesoog de wapenfabrikanten verschijnen als wreed aardige demonen. De heer Koster is de vredelievendheid zelf, zooals hij tegenover U zit; hij philosopheert over de menschelijke inborst en onze erfelijke belasting met booze hartstochten en beschouwt daarnaast zijn bedrijf als een strikt noodzakelijke onderneming, waarvan men den opzet met dezelfde objectiviteit moet behandelen als die van andere bedrijven. De ‘zwei Seelen’ van Goethe zijn ook den heer Koster niet vreemd; hij wil eenerzijds en in abstracto niets liever dan een betere menschheid, maar spreekt anderzijds en in concreto met de appreciatie van den zakenman over een nieuwe bom, die de wapenindustrie in petto heeft.

Ik vroeg den heer Koster allereerst naar zijn rol bij de Electric Boat Company, waarover bij de Amerikaansche onthullingen zooveel te doen is geweest; en de heer Koster heeft mij met groote bereidwilligheid uiteengezet, hoe hij ‘in het vak’ is gekomen. ‘Ik heb altijd in onderzeebooten gewerkt’, zegt hij. ‘Toen erover geklaagd werd, dat de eerste onderzeeboot, die door “De Schelde” geconstrueerd was, aan zijn garanties niet kon voldoen, heb ik bewezen, dat zulks onjuist was door de “Luctor et Emergo” met werklui van de werf, die ik in het “duiken” had geoefend, over zee naar Nieuwendiep te brengen. Er zou een sleepboot als convooi aan te pas komen; maar ik wachtte daar niet op. Voer vroeg in den morgen weg en was 's middags zonder convooi in Nieuwediep. Ik was toen luitenant bij de marine en ben voor die gelegenheid “uitgeleend” aan “De Schelde”.

Zoo kwam ik in het vak, en ik heb dit verhaal ook verteld aan een vertegenwoordiger van de “New York Herald”, die mij naar aanleiding van dié onthullingen over de wapenindustrie in Washington kwam interviewen. Wij kunnen nu eenmaal niet allemaal krantenredacteur zijn, heb ik tegen dien man gezegd. Handel in onderzeebooten is handel als alle handel. Het is een buitengewoon interessant vak, het wapenvak, maar ik zelf ben de meest vreedzame man ter wereld. De man van de “New York Herald” heeft dat ook duidelijk laten uitkomen, heel wat beter dan “De Telegraaf”, die een interview publiceerde, dat nergens naar leek.

Reeds in 1931 had ik mij teruggetrokken als directeur van de Europeesche zaken van de Electric Boat Company; en bij die gelegenheid heb ik massa's papieren, brieven, stukken etc., die volgens mij niet meer van belang waren, verbrand. Toen bleek bij die enquête in Washington, dat men allerlei van die papieren, die ik zelf dus niet meer bezat, had voorgelezen; maar wat precies wist ik niet, en ik wenschte dus ook niets tegen te spreken. Ik had er larie aan behandeld te worden als een schuldige, want ik had nooit een vlieg kwaad gedaan.

Na dat interview in “De Telegraaf” heb ik verdere gesprekken met journalisten steeds geweigerd, behalve een krant van “anciens combattants”, die mijn opinie ook vrij eerlijk heeft weergegeven. Voor de linksche pers ben ik natuurlijk sedert deze historie de man, bij wien alles terecht komt wat er maar over de wapenindustrie geschreven wordt. De communisten en socialisten in Frankrijk maken mij uit voor alles wat leelijk is.

Ik vind deze behandeling allesbehalve aangenaam, want dit soort publiciteit begeer ik niet en heb ik nooit begeerd. Daar staat tegenover, dat de American Armament Corporation mij op grond van mijn degelijke vakkennis, die bij de voorlezing van die papieren in Amerika aan het licht is gekomen, heeft aangeboden haar directeur-generaal voor de Europeesche zaken te worden.

Er moeten nu eenmaal wapenfabrikanten zijn. Stel u voor, mijnheer, dat de heele wereld uit ververs bestond! Dan zou zij gaan lijken op die reclame van Ripolin: alle mannetjes beschilderen elkaars rug!’

De volken zullen wel altijd misbruik maken van hun wapens.

- Maar is U niet van meening, dat de volken misbruik maken van de wapens, die U levert?

 

‘De volken zullen wel altijd misbruik maken van de wapens, die men hun geeft. De Batavieren sloegen elkaar 100 j.v. Chr. dood met een stuk tak. Dat is beroerd, maar zoo is nu eenmaal onze aanleg. In 2000 zullen er andere wapens zijn dan nu, in 3000 weer andere. Maar daarom wil ik nog geen oorlog! Ik beschouw Duitschland op dit oogenblik als een staat, die roet in het eten wil gooien met zijn “Wir sind ein kriegerisches Volk!”.

 

Bovendien, de menschelijke uitvindingslust is toch niet tegen te houden. Er is pas een inrichting bedacht, waardoor de aanvangssnelheid van vuurwapenen wordt vergroot. Moet ik die uitvinding nu begraven? Natuurlijk ben ik er op uit, haar nog te verbeteren! Dat is de evolutie. Ik kan alleen maar hopen, dat de menschen van de wapens geen gebruik maken om elkaar dood te schieten, en dat de menschelijke natuur, die tegenwoordig evenmin als de rest van de natuur de heiligheid van het leven erkent, nog eens tot een waren paradijstoestand zal komen. Maar tot nog toe tolereeren de menschen mij niet allen; ze doen alle mogelijke moeite mijn bedrijf te bevorderen!’

- In hoeverre heeft de wapenindustrie invloed op het conflict Italië-Abessynië? Tracht zij dat aan te stoken?

‘Het spreekt vanzelf, dat de keizer van Abessynië zijn wapens koopt, omdat hij het wil, niet voor ons pleizier. Dat de wapenindustrie reden tot tevredenheid heeft, in Italië zoowel als daarbuiten, is een andere zaak! Er kan nu op volle capaciteit gewerkt worden. Voor de wapenindustrie, die aan Abessynie levert, bestaat alleen de moeilijkheid, dat het land geen haven bezit en dus aangewezen is op de Fransche haven Djiboeti.’

Het voordeel van den oorlog.

- Is u iets bekend van de contrôle door de wapenindustrie op de pers (b.v. de Fransche pers) uitgeoefend?

Op deze vraag reageert de heer Koster met groote beslistheid.

‘Ik heb daar nog nooit van gehoord, mijnheer! En ik geloof er ook niets van. En evenmin geloof ik aan die verhalen over het financieren van Hitler door Skoda. Dacht u, dat men kranten zou gelooven, die door de wapenindustrie worden betaald? Daarvoor heeft zij immers een veel te slechte reputatie. En wat de nazi's betreft: die zijn machtig geworden door hun ideeën, waar ik overigens niets van hebben moet, want ik heb de vrijheid lief; maar betaald worden ze niet. In Nederland is, geloof ik, een zekere Mussert nazioprichter geworden. Welnu, die man heeft, zooals ik hoor, zijn betrekking opgegeven en hij leeft hu natuurlijk van de contributies, die zijn beweging opbrengt.’

 

- Dus u gelooft niet, dat de wapenfabrikanten de politiek actief beïnvloeden?

 

‘Neen. Toen ik bij de Electric Boat was, heb ik nooit getracht politieken invloed uit te oefenen. Ik tracht bestellingen te krijgen, maar omdat het maritieme program dat eischt. Natuurlijk hebben wij onze eigen vakbladen, waarin wij onze qualiteit tegen die van de concurrentie verdedigen; de beste onderzeeboot tegen den laagsten prijs, dat is mijn motto; er is nog heel wat in bewerking! Maar van gewone kranten, die door het Comité des Forges worden gecontroleerd, heb ik nog nooit gehoord. Misschien is het waar, misschien niet, maar dat zal het Comité des Forges dan wel weten.’

 

- Is oorlog positief voordeelig voor de wapenindustrie?

‘In den oorlog is er geld à flots, par simple décret. Dus is vooral het begin zeer voordeelig. De wapenfabrikanten, die anders vaak slecht ontvangen worden, zijn dan ineens onmisbaar. Maar later trachten de autoriteiten natuurlijk de prijzen weer te drukken.’

- Maar ligt dan oorlogspropaganda niet voor de hand?

‘De mogelijkheid bestaat natuurlijk, omdat de mensch zijn dierlijke eigenschappen niet kan bedwingen en dus om wapens vraagt. Een boterboer, die zijn productie wil afzetten, zal ook geen gelegenheid voorbij laten gaan om reclame te maken en aan iedereen te leveren, die van hem betrekken wil.’

 

* * *

 

Men ziet, de redeneering van den heer Koster is die van den zakenman, wiens principes ook zuiver zakelijk blijven: Hij heeft mij aan het einde van ons gesprek nog eens nadrukkelijk verzekerd (en ik waag het geen oogenblik dat te betwijfelen), dat de vervolmaking der menschheid van de ziel moet uitgaan; gelukt die vervolmaking, dan zal er eens geen wapenindustrie meer noodig zijn.

Ik schrijf een opdracht in het exemplaar van ‘De Pantserkrant’ van den heer Koster en druk hem de hand tot afscheid. ‘Weet u, wat de handdruk oorspronkelijk beteekent?’ zegt hij glimlachend. ‘Dat men den man, dien men tegenkomt, het bewijs levert ongewapend te zijn.’

En met deze symboliek gaan wij uiteen, elk zijns weegs.

M.t.B.