De dood van Albert Verwey

Monumentaalste figuur onder de Tachtigers
Een zuiver dichter en een sterke persoonlijkheid

DE TIJDING van den dood van Albert Verwey komt onverwacht, in ieder opzicht; zij schijnt onaannemelijk, maar het koele bericht ligt voor ons, ook al kunnen wij het nog niet gelooven. Was Verwey niet jong meer naar jaren, hij was nog altijd een vitale geest, van wiens woorden jongere generaties kennis namen, want het gold hier een mensch, die gezag had. Was Verwey de vertegenwoordiger van het historisch geworden Tachtig, hij was onder de Tachtigers tevens de eenige, die nog midden in den tijd stond; hij was voor ons meer en meer de vertegenwoordiger van die litteraire beweging geworden, waarover reeds zooveel woordenwisseling is geweest; als dichter was hij zeker niet de hevigst-geïnspireerde, maar even zeker de monumentaalste onder de Tachtigers, als theoreticus was hij de eenige, die het Dichterschap vermocht te rechtvaardigen langs den weg der logische bezinning, als hoogleeraar, ten slotte, bleek hij de man bij uitnemendheid, om een dichterleven te bekronen met een wetenschappelijk en paedagogisch voorgangerschap. Maar er is meer, dat ons aan Verwey bindt, en dat het bericht van zijn dood tot een persoonlijke emotie maakt; dat is wel in de eerste plaats zijn menschelijke zuiverheid, die juist in deze laatste jaren van volksmythologie en nationaliteitswaanzin zoo schitterend uitkwam. Nog zeer onlangs heeft Verwey het in een rede te Leiden duidelijk gezegd: wij zijn het land van Grotius, wij wijzen de ideologie van het nationalisme à tort et à travers af! Men kan het met de motiveering van Verwey niet of gedeeltelijk eens zijn: geen verschil van meening kan er m.i. bestaan over de waardigheid van dezen geest, wiens protest nog duidelijker spreekt in een van zijn laatste gedichten, ‘De Dichter en het Derde Rijk’:

 
Volken waar een dichter niet kan leven,
 
Staten waar een dichter niet wil sterven,
 
Zijn vervallen tot het puin van de aarde,
 
Tot het moim dat laatren mogen keren
 
Eer de wind van zee verstikte kiemen
 
Weer doe spruiten en de dampkring zuivre.

Zoo is het laatste jaar van Verweys leven een jaar geweest, dat hem als een zeer bijzondere persoonlijkheid deed kennen; velen zullen met mij het gevoel hebben, dat alleen reeds deze regels Verweys verheerlijking van het dichterschap volkomen hebben gerechtvaardigd. Want wanneer men het dichterschap beschouwt als een sublimeering van den menschelijken geest, zonder daarom dien ondergrond van menschelijkheid te verliezen, dan heeft men recht op een ‘Vierde Rijk’, dat de brute geweldsideologie van het Derde te boven gaat. Stefan George heeft geweigerd die ideologie te steunen, en hij is in eenzaamheid gestorven: Verwey, levend in een land, waar tot nog toe de laars niet hooger geacht wordt dan het argument, mogen wij godlof nog herdenken, zooals wij dat op dit oogenblik gaarne willen doen: als een eerlijk dichter, die zijn dichterschap in de ‘ure des gevaars’ niet in dienst stelde van een z.g. ‘pure’ aesthatiek, maar het gebruikte als bezield instrument van zijn verontwaardiging en zijn hoop op beter tijden.

Bekroning van een dichterleven: de Vondel-uitgave.

Er is daarnaast een andere Verwey (of liever: een andere, minstens even representatieve kant van de persoonlijkheid Verwey), die velen bij de gedachte aan zijn heengaan gesymboliseerd zullen zien in de Vondel-uitgave, wier voltooiing hij nog juist heeft mogen beleven. Hij heeft nog meer mogen beleven: het algemeene succes van deze editie, die een editie was voor ‘leeken’, niet voor geleerden. Toevallig verzekerde mij dezer dagen de uitgever, op een door mij gestelde vraag, dat het Verweys eigen uitdrukkelijke wensch geweest was, dat deze Vondel in de hedendaagsche spelling zou verschijnen; hij wilde, dat men Vondel zou kunnen benaderen, zonder daarbij gehinderd te worden door formeele bezwaren. En in dien geest schreef hij ook de sobere inleiding, wier voortreffelijke qualiteiten ik hier twee weken geleden in het licht mocht stellen. Voortreffelijk is die inleiding in de eerste plaats om den goeden smaak, die er uit spreekt; voortreffelijk voorts om de kunst van zelfbeperking, die men hier geenszins als een van buiten opgelegden dwang ondergaat, zoozeer is Verwey erin geslaagd van den nood een deugd te maken. Dat Verweys arbeidzame leven, gewijd aan de poëzie, besloten wordt met dezen ‘volks-Vondel’, is een soort symboliek, die men niet anders zou wenschen, hoezeer men het ook betreurt, dat zij ons van Verweys aanwezigheid op deze aarde berooft.

Leven en werken.

Ook Albert Verwey (geb. 1865) is leerling geweest van de H.B.S., waaraan dr Doorenbos les gaf. In 1885 werd hij met Kloos, Van Eeden. Van der Goes en Paap, redacteur van ‘De Nieuwe Gids’, waarvan hij zich in 1894 afscheidde door (met van Deyssel, zonderling genoeg) ‘Het Tweemaandelijksch Tijdschrift’ te stichten, dat in 1902 ‘De Twintigste Eeuw’ werd genoemd. Terwijl dit tijdschrift echter in 1909 weer opging in ‘De Nieuwe Gids’, stichtte Verwey zelf een eigen tijdschrift, ‘De Beweging’, dat van 1905 tot 1919 heeft bestaan en een belangrijke plaats heeft bekleed in de Nederlandsche literatuur van dien tijd, niet in de laatste plaats door Verweys paedagogische talenten. Verschillende dichters, die tegenwoordig figuren van beteekenis zijn, hebben in ‘De Beweging’ hun verzen geplaatst gekregen; onder de medewerkers waren bijv. Aart van der Leeuw, P.N. van Eyck (die Verwey opgevolgd is als hoogleeraar). Jan Prins, Geerten Gossaert, Jacob Israël de Haan, en J.C. Bloem. Terwijl deze doorgaans hun eigen weg kozen, zijn dichters als Alex Gutteling, Th. van Ameide, Maurits Uyldert e.a. (de ‘Noordwijker Kamer’) altijd sterk onder Verweys invloed gebleven.

Het is dus niet anders dan de bekroning van een monumentaal dichterleven, dat uiteraard met de paedagogie verzwagerd is, dat Verwey (sedert 1914 doctor honoris causa van de Groninger Universiteit) in 1925 hoogleeraar te Leiden werd; hij opende zijn colleges met een rede ‘Van Jacques Perk tot nu’.

Als dichter, criticus, literatuur-historicus en vertaler heeft Verwey ontzaglijk veel gepubliceerd. Ik noem van zijn dichtbundels: ‘Persephone en andere Gedichten’ (1885); ‘Van het Leven’; ‘Aarde’ (1896); ‘Dagen en Daden’, ‘Uit de lage Landen bij de Zee’ (1904); ‘Goden en Grenzen’ (1920); ‘De weg van het licht’; ‘De Maker’; ‘De getilde Last’; ‘De figuren van de Sarkofaag’ (1930); ‘Het Lachende Raadsel’ (1935); ‘In de koorts van het kortstondige’ (1936); het afzonderlijk uitgegeven ‘De Dichter en het Derde Rijk’ (1936) en een gelegenheidsgedicht op het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard. In drie deelen Verzamelde Gedichten is het poëtisch werk tot 1912 bijeengebracht.

Behalve lyriek schreef Verwey ook treurspelen in verzen (‘Jacoba van Beieren’ ‘Johan van Oldenbarnevelt’, ‘Rienzi’).

Zijn critisch werk vindt men in ‘De Oude Strijd’, ‘Stille toernooien’, ‘Luide Toernooien’, en de tien deelen ‘Proza’ (1921-1923), die de critieken uit de Bewegingsperiode bevatten.

Als literatuur-historicus, wiens bevoegdheid tot oordeelen niet onderdoet voor zijn goeden smaak, heeft Verwey o.a. geschreven ‘Gedichten van Jonker Jan van der Noot’, ‘Toen de Gids werd opgericht’, ‘Het Leven van Potgieter’. ‘Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst’, ‘Hendrick Laurensz. Spieghel’, ‘Vondels vers’, ‘Ritme en Metrum’, ‘Mijn Verhouding tot Stefan George’ (over deze verhouding heb ik naar aanleiding van het verschijnen van dit boekje destijds uitvoerig in dit blad geschreven).

Voorts heeft Verwey veel vertaald; zoo zijn in 1934 de sonnetten van Shakespeare in zijn vernederlandsching verschenen.

Verweys monumentaliteit.

Toen Verwey twee jaar geleden zeventig jaar werd, hebben wij een speciaal blad gewijd aan zijn beteekenis, als dichter, als geleerde en als leermeester. Ik schreef toen over Verweys monumentaliteit, als een van de kenmerkendste eigenschappen van zijn oeuvre. ‘Het eerste woord, dat zich opdringt bij een beschouwing over het oeuvre van den 70-jarigen Verwey is wellicht “monumentaliteit”. Het begrip is meer architectonisch dan poëtisch, maar daarom nog niet verwerpelijk als karakteristiek van een dichterlijke werkzaamheid, die zich zoozeer kenmerkt door een onverstoorbaar productie-rhythme, nadat eenmaal de te sterke invloeden waren overwonnen, en een (uiterlijk althans) weinig bewogen leven op den achtergrond, geconcentreerd op het plaatsje Noordwijk en culmineerend in den leerstoel aan de Leidsche Universiteit....

Monumentaliteit is in het algemeen niet kenmerkend voor de mannen van Tachtig. Kloos en Van Deyssel waren erupties; men beoordeelt hun beteekenis naar een betrekkelijk korte periode van hun leven. Van Eeden heeft veel geschreven en veel standpunten ingenomen; maar monumentaal kan men zijn oeuvre evenmin noemen. Gorters heroïsche ontwikkelingsgang verbiedt ook een dergelijke qualificatie. Albert Verwey echter, eenerzijds volkomen geconcentreerd op de rechtvaardiging van het dichterschap en de geheele cultuur steeds resumeerend onder het aspect van dat dichterschap, anderzijds toch een bespiegelende natuur met eerbied voor de traditie (ook voor de Hollandsche traditie), is degene onder de Tachtigers geworden, die hun erfenis heeft gekapitaliseerd; door de poëzie in verbinding te brengen met de Idee en het extreme individualisme van “De Nieuwe Gids” philosophisch te matigen in zijn tijdschrift “De Beweging”, heeft hij een ontwikkeling bevorderd en zelfs geleid, die in Kloos geen aanknoopingspunt kon vinden.’

Zoo werd Verwey de dichter van den duur tegenover de dichters van het moment. Hij zelf heeft nog in zijn laatsten bundel ‘In de Koorts van het Kortstondige’ gezinspeeld op de monumentaliteit van zijn werk, die hij zelf verdedigde door dit Pro Domo:

 
Liedren die u daadlijk passen
 
Noemt ge schoon en monstert ze uit.
 
De verworpenen verrassen
 
Straks toch, eer de fuga sluit.
 
Alle ontlenen aan 't verzamen
 
Nieuwe klanken, nieuwe namen.

Dit zou men kunnen beschouwen als Verweys antwoord op de telkens gestelde vraag, waarom er geen bloemlezing bestaat uit zijn talrijke dichtbundels.

Verwey en Slauerhoff.

De Nederlandsche dichtkunst wordt zwaar beproefd. Kort geleden ontviel haar Slauerhoff, een der belangrijkste, zoo niet de belangrijkste dichter van zijn generatie. Toen ik eenigen tijd geleden een vergelijking maakte tusschen dezen jonggestorvene en den vitalen Verwey, kon ik niet vermoeden, dat ook Slauerhoffs antipode zoo spoedig zou worden weggenomen. Zij laten beide een leegte achter, Slauerhoff en Verwey, ieder op zijn wijze. Zij, die vrijwel niets met elkaar gemeen hadden, waren beide sterke persoonlijkheden, en daarvan getuigt ook dun dichterschap.

M.t.B.

Verwey als plastisch dichter

Wij citeeren nog een fragment uit het opstel over Verwey als dichter, dat S. Vestdijk voor onze courant schreef bij zijn zeventigsten verjaardag:

 

‘Men spreekt (bij Verwey) van de “stugheid”, den schralen klank, het hortende rhythme; men vindt deze gedichten niet “lyrisch”, en daarom geen poëzie in den besten zin van het woord. Inderdaad kan de lyrische aandrift niet de sterkste kant zijn bij iemand die een zoo weinig zoetvloeiende strofe in het licht geeft als:

 
Heeft een zijn huisje aan wegrand staan,
 
Hij ziet werk-, kerk- en kermiswaart,
 
Jongen en ouden, man en paard,
 
Temet ook kerkhof-waarts ze gaan.

Daarnaast zijn er echter veelzeggende uitzonderingen te over, terwijl toch ook, algemeen gesproken, een identificatie tusschen het poëtische en het lyrische te minder te verdedigen valt, waar men zelfs “klankdichters” ontmoet, die niet tot de lyrici, de zangers, in engeren zin gerekend kunnen worden (Hendrik de Vries b.v.). Het is jammer, dat hier de gebruikelijke terminologie te kort schiet, want eerst wanneer men naast de aloude vierdeeling in lyrisch-dramatisch-episch-didactisch een vijfde genre, de plastische of beeldende poëzie erkent, heeft men iets gevonden dat benaderend rekenschap vermag af te leggen van het beste en meest persoonlijke element in Verwey's dichtkunst. Deze waardevolle kern van gedichten, in tallooze bundels verstrooid, maar die zich voornamelijk concentreeren in de series Godenschemering (uit Het blank Heelal) en De legenden van de eene weg (uit De Weg van het Licht), onthullen een poëtische kracht, een grootsch vizionair beeldingsvermogen, een demonische geladenheid, een bezieling van het aanschouwde tafereel tot spanningsvol dynamisch gebeuren, die hen onder de sterkste voortbrengselen der moderne Nederlandsche poëzie plaatsen en voor mij persoonlijk nog boven de hoogtepunten in Stefan Georges werk. Vooral in De legenden van de eene weg, gepubliceerd in 1922, dus op bijna 60-jarigen leeftijd, treft men gedichten aan (Het Sterrenbeeld, De Brug, De Gestorvenen. e.v.a). waarvan de volmaakt beherrschte vorm geheel op één lijn staat met het suggestieve en oorspronkelijke van den inhoud, een inhoud die hier, vrij mythologiseerend zonder eenig vertoon van eruditie, meer “idee” belichaamt dan ooit uitgedrukt kan worden in welke latente gedachtenverbindingen ook, die Verweys bundels boogsgewijs overspannen. Voegt men bij deze prachtige, hier en daar barok fantastische evocaties nog verzen als de innig navrante allegorie De laatste Kamer (uit De Weg van het Licht), de diepzinnige dialoog Hij en Zij (uit De Maker), De Vrouw van den Koning (uit Het Zwaardjaar), De Keten, en Trouw (uit Het Levensfeest), De Eenzame (uit Dagen en Daden) en Van de Liefde die Vriendschap heet IX (uit Uit een vorige Bundel), dan heeft men alreeds een keur van overwegend “plastische” gedichten verzameld, waaromheen zich tientallen andere groepeeren, die te zamen een beeld vormen van wat Verwey voor onze poëzie zou kunnen beteekenen.’

Uit Verweys afscheidscollege

Op 22 Mei 1935 gaf Verwey onder groote belangstelling zijn afscheidscollege. Hij hield daarbij een warm pleidooi voor de waarde van onze letterkunde; woorden, die wij gaarne nog eens in herinnering brengen bij zijn verscheiden.

 

‘De bewering is vaak geuit en ze is zelfs gangbaar geworden, zeide prof. Verwey, dat wij niet in de eerste plaats het volk zijn van een letterkunde, dat onze waardevolste schepping veeleer in de schilderkunst ligt. Ze mag juist zijn - ik heb zelf voor de schilderkunst een groote partijdigheid - al meen ik dat ook voor dit vergelijkend oordeel het eind van de tijden nog niet gekomen is. Ze mag juist zijn, maar ze verandert niets aan het feit dat onze letterkunde oudheid, belang en aanzien heeft. Van het oogenblik af dat het lied en het verhaal, in hun hoofschen vorm, zich over Europa uitbreidden, hebben wij aan dien kunstvorm met niet geringe stalen deelgenomen. Wij bezitten een diersproke, een mystieke poëzie en proza, een vroegtijdig wereldlijk drama, zooals ze niet, of alleen van mindere voortreffelijkheid, elders zijn aan te wijzen. Didactiek en geschiedschrijving vonden op de grens van ons Noorden en Zuiden een man van groot formaat, die de letterkunde in dienst stelde van de opvoeding van een Nederlandsch volk. En in tal van vormen is dat verband tusschen volk en dichtkunst werkzaam gebleven gedurende dat geheele belangwekkende tijdperk, waarin de Middeleeuwen eindigen en de Nieuwe Tijd zich aankondigt. Wat men als volkslied vereert en als rederijkersrijm nog niet geheel doorgrond heeft, is een groei en een kweek van krachtige en kunstige formaties waarvoor geen grooter volk zich zou hebben te schamen. In het Zuiden begint nog, maar in het Noorden komt dan tot haar eeuwig bewonderenswaardige uiting die nieuwe kunst van vers en proza, die één van de machten is waaraan de Republiek van de Zeven Provinciën haar gezag ontleent, niet alleen in de herinnering van vaderlanders, maar in de werkelijkheid van haar tijd en in de geschiedenis van naburige literaturen Wij moeten ons niet laten overweldigen door het gezag dat andere volken voor hun dichtkunst opeischen. Wij hebben vóór alles met innige liefde te letten op de grootheid van die werkstukken die in onze eigen taal zijn tot stand gebracht. Wij hebben te bedenken dat, wanneer wij het inzicht verliezen in de waarde en beteekenis van onze letterkunde, wij al half op weg zijn om het inzicht kwijt te raken in de waarde en beteekenis van onze taal en ons volksbestaan. Er zijn tijdperken geweest, dat die twee minder en trager leefden, maar er zijn er geene geweest waarin ze niet op geheel eigen, op Nederlandsche wijze, dat wil zeggen met die wonderlijke mengeling van nuchterheid en bezieling die ons eigen is, het aanzijn gaven aan merk-waardige, aan bewonderens-waardige scheppingen. Wat wij de traditie van onze literatuur noemen, is die aldoor zijn ontwikkelende vorm van voorstelling en uitdrukking, waarin ons het beste is bewaard gebleven, wat, van oude tijden tot heden, sommigen van de ongemeenste Nederlanders met hun taal hebben weten te doen. Dit beste te kennen, het te ordenen, het zijn plaats te geven in den samenhang van de literaturen, en verder het levend te houden, te doen doorwerken, en zoo mogelijk er iets aan toe te voegen, dat is de veelvoudige taak van dichters en schrijvers, van studenten in de letteren en van letterkundige critici.’

* * *

 

Nader vernemen wij nog, dat prof. Verwey, na een plotselinge ongesteldheid van slechts enkele oogenblikken, aan hartkramp is overleden.