Over sfinxen

Het geheimzinnige leven der boeren
Romans van Schiermonnikoog en Zeeuwsch-Vlaanderen

K. van der Geest, Eiland in de Branding (H.P. Leopolds Uitg. Mij, Den Haag, 1937).
Jan H. Eekhout, Aarde en Brood (Uitg. Holland, Amsterdam 1937).

ERGENS (ik weet tot mijn spijt niet meer wáár) heb ik onlangs een zeer opmerkelijk woord gelezen, dat betrekking had op de belangstelling voor boeren in onze hedendaagsche literatuur. De auteur stelde n.l. vast, dat wij, hoewel de boeken over het ‘regionale’ leven steeds nog in aantal toenemen, toch eigenlijk niets weten van den boer; en hij formuleerde het daarop ongeveer als volgt:

 

‘De boeren leven als sfinxen onder ons.’

De boer als sfinx: dat is een zeer vruchtbare gedachte. De sfinx is een wezen, dat boordevol raadselen onder de menschen woont; op een afstand weliswaar, maar toch bereikbaar, wat den buitenkant betreft. Iedereen, die in de buurt komt, kan de sfinx naderen om naar de oplossing van de raadselen te vragen; maar wat de sfinx antwoordt, is nog raadselachtiger dan het raadsel zelf. Hoewel dus de sfinx in haar bestaan geenszins ontkent wordt, weten wij van haar wezen niets, of vrijwel niets. Zoo gaat het ook met de boeren, onze medeburgers, die betrekkelijk zoo dichtbij en tevens zoo ontzaglijk veraf leven in deze wereld, die langzamerhand geen enkele boersche eigenaardigheid en evenmin de boersche afgeslotenheid respecteert, die met radio en film doordringt in de kleinste plattelandsnesten, die alles tracht te nivelleeren door een eenheidsrecept van cultuur.... en die toch, op straffe van onder te gaan door gebrek aan levensmiddelen, den boer niet kan vernietigen! Want daarin onderscheidt zich de man, die aan ‘de bron’ staat, van de overige bevolkingsgroepen, dat hij gebonden is aan de vruchtbaarheid der aarde, van het oer-raadsel van geboren worden en vergaan, van zaalen en geoogst worden; de Fransche Zwitser C.F. Ramuz heeft in een bijzonder scherpzinnig en goed geschreven boekje, dat ik met groote warmte aanraad Questions; onlangs verschenen bij Grasset, daarop den nadruk gelegd.

Omdat de boer dus door de huidige civilisatie wordt bedreigd en meer dan ooit gedwongen wordt telkens iets prijs te geven van zijn eigenheid, terwijl hij, anderzijds, toch door zijn positie als bebouwer van den grond niet door de stadsbeschaving kan worden opgeslokt, zoolang de geheele landbouw en veeteelt niet gemechaniseerd zijn (en is dat mogelijk?).... omdat dus de boer nog steeds een eigen leven leeft in deze maatschappij, die zijn afzondering slechts pro forma eerbiedigt, daarom is de boer voor ons een sfinx, waarnaar de algemeene nieuwsgierigheid der stedelingen uitgaat, zonder dat zij zijn raadselen kunnen oplossen. Alle Oedipussen van de ‘regionale’ romans komen naar het platteland en trachten hetzij den landelijken blik, hetzij de volksche klauwen, hetzij de primitieve haren van de boerensfinx te beschrijven; en telkens keert men, na een boek van een dier ontraadselaars gelezen te hebben, naar huis terug, met het gevoel, dat zij wonderveel hebben verteld en zelf in de stallen en schuren zijn doorgedrongen, zonder ook maar één raadsel van het geheimzinnige wezen te hebben opgelost. Dat is een zeer curieus verschijnsel: naarmate men meer schrijvers naar de boerderij (of, mutatis mutandis, de visscherij) ziet vertrekken, wordt de boer ‘sfinxischer’. Hij laat dien stroom van Blubo-literatuur over zich heengaan en glimlacht.... niet eens, want hij heeft andere zorgen.

De boerenmaatschappij is geen expansieve maatschappij, zooals de stedelijke, die met haar drukpersen en filmjournaals streeft naar nivelleering en universaliteit. De samenleving der boeren herinnert nog altijd het meest aan de wereld, zooals zij er voor de ontwikkeling der techniek uitzag; zij ligt nog niet zoo ver van de middeleeuwen af als de ontmantelde stad, die geen eenheid, geen vesting en geen door privileges bevoorrechte meer is; in haar begrippen heeft de ‘evolutie’ minder radicaal huisgehouden, en juist daarom is de boer voor den stadsmensch zoo volmaakt onbegrijpelijk. En bovendien: de boer wordt meer en meer voor zich zelf onbegrijpelijk, nu hij eenerzijds door de stedelijke civilisatie wordt aangetast en anderzijds zijn oeroude functies blijft uitoefenen, omdat de bodem zulks eischt. Onder het radiogeloei van de match Nederland-België beploegt de boer met de traditioneele tabakspruim achter de kiezen den grond; hij hoort staatslieden spreken, die hij nog nooit gezien heeft, hij ziet in de provincie-bioscoop conflicten van stedelijke liefde en stedelijken haat, waaraan hij uit zijn eigen ervaring geen enkele realiteit vermag te verbinden; hij wordt, kortom, het voor anderen en zichzelf meest raadselachtige wezen van Europa, en zonder den boer op den achtergrond is iedere philosophie van den stedeling grauwe theorie.

 

Wie zal den roman van dezen boer schrijven? Het genie, dat zich daaraan zal wagen, durf ik niet te voorspellen. In afwachting daarvan zullen er nog heel wat boerenromans verschijnen, die slechts de projectie van den nieuwsgierigen stedeling op den plattelander geven of - zooals bij den roman van K. van der Geest het geval is - een sobere notitie brengen van het bestaan op een eiland, zonder dat toch het groote raadsel wordt aangeraakt.

Verdienstelijk debuut

K. van der Geest geeft in zijn roman Eiland in de Branding een verdienstelijk debuut; al behoort hij, wat zijn verhouding tot zijn onderwerp betreft, tot de ‘regionale’ auteurs, hij valt tusschen hen onmiddellijk op door een natuurlijk schrijftalent en een tegenzin in de overlading met pittoreske détails, waaraan verschillende zijner collega's zich nogal eens schuldig maken. Als ik mij niet vergis, is het eiland, waarover hij schrijft, Schiermonnikoog, en hijzelf ter plaatse uitstekend bekend; één van de qualiteiten van het boek is de zuivere plaatsbeschrijving; zuiver ook voor dengene, die (zooals schrijver dezes) het eiland in quaestie niet kent en zich dus moet laten suggereeren wat hijzelf niet gezien heeft. De soberheid is bij boeken als deze een groot voordeel; zij verraadt meestal meer kennis van zaken dan de poëtische uitvoerigheid. Ook heeft Van der Geest gelukkig de ondraaglijk geworden mode korte zinnetjes om in den tegenwoordigen tijd te schrijven versmaad; wanneer er iets van sfeer in zijn roman naar buiten komt, dan is dat zeker niet in de laatste plaats te danken aan het ontbreken dier altijd maar ‘presente’ kortademigheid. Er staat iets in een zin, dien Van der Geest opschrijft, al is hij op de eerste bladzijden boeiender en geserreerder dan in het vervolg; hij weet zijn personages door teekenende bizonderheden te karakteriseeren; een bewijs, dat hij niet over theoretische wezens handelt, maar over ‘zijn eigen’ menschen, die tusschen water en helmmatten hun langzaam veranderend leven leiden.

 

Vooral de centrale figuur van Eiland in de Branding, Reint de Kruk, die het midden houdt tusschen een gemankeerden avonturier en een dorpspotentaat, heeft Van der Geest hier en daar heel scherp uitgebeeld. Deze koopman, die door zijn kasboek zijn heele omgeving beheerscht en tenslotte ook zijn invloed krijgt op de ontwikkeling van het eiland als badplaats, is zonder de sentimenteele oubolligheid der landelijke litteratuur opgezet en leeft; op hem heeft Van der Geest werkelijk vat, en zoodra de menschen van het eiland met hem in aanraking komen, nemen zij iets van dat leven over; zij worden er door beinvloed en gericht. Ook het inwendig conflict in dezen man is onsentimenteel aangeduid; hij is voor de eilandbewoners een gerespecteerde en tevens gevreesde bondgenoot van den duivel; hij heeft gezag en is toch inwendig tegen zichzelf in opstand; hij streeft naar winst, en brokkelt toch af, zooals het eiland door de zee afbrokkelt.

 

De eenvoud, die tot de grootste verdienste van het boek (want het is geen onnoozelheid, die hier sobere vormen vindt), is echter ook een van de gebreken ervan. Als vele andere debutanten heeft Van der Geest zich te veel vastgelegd op zijn ééne methode, zonder dat hij daarmee een climax weet te bereiken; zijn roman is daardoor typisch ‘horizontaal’ geworden en verliest zich, zonder overigens in breedsprakerige praat te ontaarden, toch een weinig in die horizontale vlakte. Te oordeelen naar het zeer goede, strakke begin, had Eiland in de Branding nog meer kunnen worden; het had zich - wie weet? - misschien aan het raadsel van de boeren- en visscherssfinx kunnen wagen. Want voor dat raadsel blijft Van der Geest evenzeer staan als zijn ‘regionale’ collega's; hij blijft een beschrijvende geest, die zich geconcentreerd heeft, hij is geen Oedipus, die de sfinx de waarheid afvraagt. Het ware echter ook wat veel gevergd, dat van een debutant te verwachten. Alles hangt af van zijn tweede boek, das verhängnisvolle Buch, waaruit men dikwijls het meeste leert over de ontwikkeling van den schrijver na zijn eerste succes. Dit succes, dat hem toekomt, zal Van der Geest op één of andere manier ‘vormen’, dat is zeker.

Romantiek van den stedelijken geest

Terwijl Eiland in de Branding een voorbeeld is van een sober en zonder pretenties geschreven boek, hebben wij in Aarde en Brood van Jan H. Eekhout een staaltje van den echten stedeling, die over zijn sfinxen spreekt, zonder dat men het gevoel heeft iets anders van deze wezens te zien dan hun uitwendige vormen. Eekhout komt uit Zeeuwsch-Vlaanderen, en zijn roman heeft een hoeve in die streek tot onderwerp; ook zijn taal is eenigszins door het dialect gekleurd, al is hij geen dialectschrijver, zooals Coolen in zijn Brabantsche periode. Er is hier dus geen moeite gespaard om het authentieke te benaderen door uiterlijke middelen, maar met dat al blijven de boeren van Eekhout romantische creaties van een stedelijken geest. Hij is ongetwijfeld zeer goed op de hoogte van het aspect van het landschap en van de menschen, maar hij blijft er tegen aan kijken, zonder blijkbaar in de gelegenheid te zijn binnen te treden en het specifiek-boersche tot inzet te maken.

Eekhout schrijft een geheel anderen stijl dan Van der Geest. Het is een pompeuze stijl, zwanger van woorden en nog eens woorden; het is een pronkende stijl zonder humor (en bij ‘pronken’ denk ik nu speciaal aan een pauw, die zijn staart met welbehagen ten aanschouwe van de kippen ontplooit), waarin men den al te bewusten artiest zeer spoedig ontdekt. Eekhout zou tot de barok van het provincialisme gerekend moeten worden; hij zwelgt in woordvormen, in schoone zinnen, in zwelling en sonoriteit. Daarbij vergeleken doet het drama van zijn roman, dat men het drama der onvruchtbaarheid zou kunnen noemen, wat zoetelijk en gearrangeerd aan. De hoofdfiguren, Petrus Lammaert en zijn vrouw Nelia, vertegenwoordigers zoogenaamd van het Zeeuwsch-Vlaamsche boerenleven, zijn sterk geïdealiseerde wezens, typische projecties van de stadscultuur op het platteland. Het idealiseeren geschiedt bij Eekhout niet, zooals het b.v. bij J.J. Cremer geschiedde; Eekhout behoort eerder bij de pathetische ‘idealisten’, die wel uitgaan van den boer en zijn wereld, maar niet kunnen nalaten daarin onmiddellijk stadsche conflicten den voorrang toe te kennen.

Aan Eekhout ontbreekt wat Van der Geest bezit: eenvoud. Hij is veel geroutineerder dan zijn collega van Schiermonnikoog, hij beschikt over veel meer uitwendige stijlmiddelen, maar hij blijft bij Van der Geest ten achter in menschenkennis; een figuur als de koopman Reint de Kruk zoekt men in Aarde en Brood tevergeefs. De kinderloosheid van Nelia, waarin zich de vloek van de hoeve voltrekt, de invloed van de naijverige zuster Zanne op den vader, die door deze kinderloosheid in de fundamenten van zijn bestaan wordt aangetast: dat alles was met minder pronk en meer reëele kennis beter tot zijn recht gekomen. De sfinx dwingt men geen enkele oplossing van geen enkel raadsel af door een virtuoos, maar in laatste instantie toch ijdel taalgebruik.

 

Menno ter Braak.

Korte inhoud van de besproken boeken

‘Eiland in de Branding’ van K. van der Geest is de roman van Reint de Kruk, den koopman, die zeeman had willen worden, en nu door zijn noodlot gedreven wordt om door zijn geld over de eilandbewoners te heerschen. Dat is zijn ‘verbond met den duivel’; denzelfden duivel, die volgens een profetie het eiland door de zee zal laten verslinden. Reint is dus de koopman tegen wil en dank, die daarom verdeeld is in zichzelf. Naarmate hij meer macht krijgt door zijn geld, gaat het eiland als badplaats een grooter toekomst tegemoet. Maar in zijn zoon vindt hij zich zelf terug, en dit doet hem zijn noodlot aanvaarden; als deze hem door een misverstand verlaat, brokkelt het leven van Reint af, en parallel daarmee gaat de achteruitgang van het eiland. De terugkomst van den zoon opent een nieuwe episode.

 

‘Aarde en Brood’ van Jan H. Eekhout heeft tot onderwerp de hoeve van het boerengeslacht Lammaert. Petrus, de zoon van Frans Lammaert, trouwt met Nelia; het huwelijk blijft kinderloos, en daardoor wordt de verhouding van Nelia tot den vader steeds meer bedorven, ook onder invloed van haar naijverige en heerschzuchtige zuster Zanne. De dood van Frans Lammaert en de krankzinnigheid van Nelia zijn nog niet de eenige symptomen van den vloek; Petrus steekt zijn huis in brand, maar hij bevrijdt zich ten slotte van de wraakgevoelens jegens Zanne.