Dietsch verleden

Still going strong....
De bundeltjes van mr Wijnstroom

Mr J.J. Wijnstroom is een merkwaardig man. Hij heeft een reeks boekjes onder den gezamenlijken titel ‘Dietsch Verleden’ opgezet en laat er nu zoo om de veertien dagen één verschijnen, van zeer geringen omvang (wat nog tot daar aan toe is), maar ook van zeer geringe qualiteit. Ik heb nu al weer vier nieuwe deeltjes beet (alsmaar verschenen bij Van Dishoeck te Bussum), en hoe lang het nog zoo verder moet gaan weet ik niet. In deeltje VII komt het volgende poëem voor op onze residentie, Den Haag:

 
Blank in het zonnelicht zijn de gezichten,
 
De meizekes stappen voorbij als gedichten!
 
Het is of de zee en de hemel hier laait!
 
Het is of het duinzand de straten doorwaait!
 
 
 
Hoe graag en hoe hevig heb 'k in je geleefd!
 
Waar 't bloed ons in snellere golven doorstreeft!
 
Het is of de zee en de hemel hier laait!
 
Het is of het duinzand de straten doorwaait!
 
 
 
Hoe mooi en hoe frisch al dat geurige groen!
 
Van gras en van boomen, van heg en plantsoen.
 
Het is of de zee en de hemel hier laait!
 
Het is of het duinzand de straten doorwaait!
 
 
 
Een treurenden boom over spiegelend water,
 
In de zonnige Boschjes het eendengesnater.
 
Waar vindt men dat nog in het hart van een stad?!
 
Het is of de godheid haar wet hier vergat!
 
 
 
De Hoogstraat, de Groenmarkt, met 't ‘Goudene Hoofd’,
 
Het Plein, het Tournooiveld, en wat daar verder al stooft
 
In die zon en al dartelt en juicht in dien wind,
 
Zoo jong en zoo vrij als men 't elders niet vindt!
 
 
 
En Scheveningen! Strandpijama's,
 
Bloote armen, liefdesdrama's.
 
Wie leeft daar op zomerschen avond niet mee,
 
Aan die zoele, die woelende, zwellende zee!

Dit is wel geen verleden, maar toch in zekeren zin wel Dietsch, en wat dat waaiende duinzand betreft, het is volkomen realistisch gezien. Deeltje VIII en IX heeten resp.: Willemijntje en andere Poëzie’, ‘Episode en andere poëzie’; maar hier is nu weer het gekke, dat er.... geen poëzie in voorkomt, maar uitsluitend proza (ten minste niet-rijmende regels)! Hoe zit dat, mr Wijnstroom? Een dezer stukken ‘poëzie’ begint overigens heel aardig:

‘Ik heb wat je noemt zoo stierlijk de pest aan ze, aan die twee schijnheilige Angel-Saksers, die hier het christendom zijn komen brengen.’ Waar men al het land aan kan hebben, in het Dietsch verleden....

Deeltje X heet ‘Johan Evertsen en Meer’. Hierin staat wèl poëzie, maar ook proza. ‘Meer’ beteekent blijkbaar ‘poëzie en proza’, ‘poëzie’ beteekent echter, blijkens de vorige deeltjes, ‘proza’ sec, volgens mr Wijnstroom. Ik beken mij, duizelend, verder absoluut onmachtig zijn gedachtensprongen en zijn reeks te volgen.

M.t.B.