Cor Bruijn
aan
Menno ter Braak

Hilversum, 13 juni 1937

Hilversum, 13 Juni 1937

 

Zeer geachte Dr Ter Braak,

Bedankt voor Uw brief en Montijn II. Gek, dat deze niet begrijpt, dat alles wat hij omtrent ridderlijkheid etc. opmerkt tegenover Edu c.s., evengoed gold en geldt tegenover Multatuli.

Ja, ik was al bang, dat VanderHoeven U meer lastig zou vallen en heb hem daar al lichtelijk van proberen terug te houden, door op te merken dat het toch niet gewenst zou zijn juist in deze maanden stukken van hem in Het Vaderland te publiceren. Hij had het er ook al over, dat als die publicatie in Groot Nederland veel opbracht, hij daarvan ook enz., waarop ik hem wat nader heb ingelicht over de fin. situatie van dergelijke tijdschriften.

De inhoud van de brieven kent hij blijkbaar ook slecht. Na de ontvangst v. de brief van Mevr. D.D. -P.v.L. kwam Mevr. v/dH. bij me. ‘Ja, als we dat geweten hadden... en al die brieven publiceren!’ Ik heb toen even kort van me afgebeten, en toen was alles weer goed.

Ik ben er nu ook achter, waarom Mevr. v/dHoeven-Meyers de naam van haar voorgangster niet wilde noemen.

Haar schoondochterliet zich ontvallen: ‘Ze was boos op m'n man, dat hij U verteld had, dat ze zijn tweede vrouw was. Kwaad geweten. Van der Hoeven had drie zoons bij zijn eerste vrouw. Die heeft de grootvader na de dood van den vader tot zich genomen en zij (Mevr. v/dH. Meyer) heeft er nooit meer naar omgekeken.’

Of dit waar is? De dames zijn gebrouilleerd! Doet [woord(en) onleesbaar] niet veel toe. Van der Hoeven had dus reeds 3 zoons. Zijn vierde zou hij nooit kennen.

Met vriendelijke groeten

Cor Bruijn

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie