Henri Bruning
aan
Menno ter Braak

Utrecht, 10 maart 1939

UTRECHT, 10 Maart 1939

 

Zeer Geachte Heer ter Braak,

Waarschijlijk verschijnt in ‘De Zevende Dag’ van Zondag a.s. het eerst gedeelte van mijn artikel over Uw ‘In gesprek met de Vorigen’. Het bestaat in hoofdzaak uit citaten (met 'n enkele kantteekening); het voorwoordje is een antwoord aan den man, de redacteur, die mij een ex. van uw boek ter besprekeng deed toekomen, voorzien van een reeks verontwaardigde kantteekeningen. Goeiegod, wat had de man het op zijn heupen! - In het slot-artikel, dat dan over 14 dagen verschijnt, hoop ik nog uitvoeriger op eenige kwesties terug te kunnen komen.

Het verheugde mij destijds zéér, te vernemen dat ‘Lazarus en de Rijke’ Uw belangstelling heeft gewekt. Ik heb het, 'n week geleden ongeveer, voorgelezen op S. Augustinus te Leiden, waar ik feitelijk had moeten spreken over de Zichtbare en Onzichtbare Kerk. Ik heb ze toen gezegd, dat ze droom van de rijke maar als een stukje van de Onzichtbare Kerk moesten accepteeren, en het lag me op de lippen om de keuken-tafereelen als een beeld van de Zichtbare aan te dienen, maar dat durfde ik toch niet. - De Eerwaarde Heer Moderator trok nogal een lange smoel aanvankelijk, maar het stuk verwekte een dermate spontane vroolijkheid, dat ook de vertegenwoordiger der Kerke Gods ging meelachen, - zoodat hij me zelfs na afloop een complimentje maakte (waardoor wij ons wederzijds belazerd gevoelden). Vermoedelijk zal hij zich oprecht verheugen in de r.k. critiek, die de lange toet weer zal rechtvaardigen.

Met vriendelijke groeten,

[?]

Henri Bruning

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie