Dirk Coster
aan
Menno ter Braak

[Delft, 9 januari 1931]

Waarde Heer Ter Braak,

Mag ik U misschien iets vragen? Zoudt U het erg vervelend vinden, van de Stemfuif, die lang genoeg duurt, één uur op te offeren? Mevrouw Havelaar, hoewel pas uit het ziekenhuis ontslagen, wil even komen luisteren naar mijn openingsspeechje (dat voor U zonder belang is, ik kan in dit onderwerp nooit het publiek en U tegelijk bereiken) en dan weer vertrekken, dadelijk.

Ze heeft zich indertijd Uw stuk ontzettend aangetrokken, - niet om den inhoud, - maar om de (inderdaad!) hartgrondige antipathie die eruit sprak jegens een door haar boven alles gestelden mensch. Zou het niet beter zijn, haar op dit toch zoo bittere moment elke bitterheid te besparen? 't Is voor U zoo gemakkelijk even een uurtje later b.v. om half zes te komen <waardoor elke mogelijkheid eener ontmoeting vermeden>, - Ik vraag U dit geheel uit eigen beweging, Van Tricht weet er niets van.

Morgen spreken wij elkaar en zal ik U nog even eenige dingen vragen. Ik ben b.v. minstens even wantrouwig tegen het leven als U, - en toch zie ik daarom de méér-geloovigen niet als antipathiek.

Ik hoop dat U mijn briefje opvat zooals het geschreven werd.

Hrt. gr.

Uw Dirk Coster

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie