Menno ter Braak
aan
A.G. Douwes Dekker-Post van Leggeloo

Den Haag, 22 juni 1937

Den Haag, 22 Juni 1937

 

Zeer geachte Mevrouw

Het lijkt mij inderdaad nutteloos verder met U van gedachten te wisselen over de begrippen ‘loyauteit’ of ‘schelden’, aangezien onze standpunten in dit opzicht blijkbaar te zeer uiteenloopen.

Ik heb U reeds geschreven, dat ik er geen enkel bezwaar tegen kan hebben, dat U dadelijk na het verschijnen op de publicatie der brieven reageert; waar en hoe U dat doen wilt, is Uw zaak uiteraard. Dat U zich met tijdschriftredacties van te voren in verbinding stelt, is eveneens een quaestie, waarin ik mij niet wil mengen. Alleen ben ik erop gesteld (en onder die voorwaarde stond ik U de correspondentie van te voren ter inzage af), dat niemand anders dan U zelf van den inhoud der brieven kennisneemt, alvorens zij in Groot-Nederland zijn gepubliceerd. Natuurlijk wil ik U gaarne veroorloven bij ev. bemoeiingen Uwerzijds bij tijdschriftredacties, den inhoud der brieven te omschrijven. Ik behoud mij slechts het auteursrecht op den tekst voor, aangezien de correspondentie aan mij door den heer Van der Hoeven ter publicatie is afgestaan en ik dus ook verantwoordelijkheid draag voor de wijze van openbaar-maken. U kunt bij Uw repliek de verantwoordelijkheid daarvoor dan ook volledig op mij af wentelen.

met de meeste hoogachting,

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie