T.J.C. Gerritsen
aan
Menno ter Braak

Den Haag, 7 Mei 1935

Zeer geachte Heer ter Braak,

Na Uw schrijven van gisteren - er moet inderdaad een kruising hebben plaats gehad - merk ik later, moet ik U toch nog even wijzen op de, in Uw brief herhaalde, aperte en pricipieele onjuistheid, die U wezenlijk Heymans (en schijnbaar: mij) in de schoenen schuift, de onjuistheid n.l., dat Heymans (en ik) zouden beweerd hebben, dat ‘de Ik's en de Gij's’ aan elkaar gelijk behandeld moeten worden zonder dat het altruïsme al te erg ‘wordt’: Iets zoo mals heeft Heymans niet gezegd, noch ik. De Ik-en Gij-kwestie laat ik rusten, het onderwerp is te lang, maar de dwaasheid over het altruïsme kan ik snel rectificeeren.

Heymans passage, die ik uiteenzette, de auteur op het cardinale moment citeerend, luidt: ‘Der Egoismus ist unbedingt - und in letzter Instanz ist nichts anderes als den Egoismus [sichlich??] zu verwerfen; die [????iche] Grundneigung, welche diesem Egoistmus gegenübersteht ist aber nur angenau als Altruismus, sie ist erschöpfend nur als Universalismus zu bezeichnen, Der Altruismus [??] nicht nur, wie haüfig bemerkt worden ist, praktische Schwierigkeiten, [???fern] eine Welt, in welchen jeden nur geben und keiner [emp???] wollte, Schwerlich bestehen könnte; aber er ist, als letztes [???] gefaszt, auch irrationell, und überhaupt nur als krankhafte übertreibung des [????selismus] denkbar’.

Verwerping van het altruïsme is inderdaad iets principieels anders dan het ‘niet te erg doen worden’. De - vermoedelijk Christologisch georiënteerde - verslaggever heeft iets zoo ergs als ‘verwerpelijk ziekelijk altruïsme’ zeker niet ‘aangedurfd’ en er iets onnoozels van gemaakt. Dat U zooiets klakkeloos exploiteert vind ik onbehoorlijk, te meer, omdat het anoniem en, blijkbaar, in absolute pers-immuniteit geschiedt (of vindt U dit openlijk, in een schijf?) En - ook nadat ik Uw licht van gisteren heb laten schijnen blijf ik daarbij -: het is een onbehoorlijkheid tegenover Heymans (De reactie-feiten van het auditorium bewijzen dit trouwens).

De verslaggever had U in 't zonnetje (([???]) moeten zetten.

Ik kan niet aannemen, dat U Uw handelswijze correct vindt; daarvoor acht ik U te fundamenteel eerlijk. Ik onderschrijf trouwens überhaupt niet Uw apodichische: ‘het is Uw meening, dat ik een verderfelijk individu ben; maar zou liever bescheiden willen opmerken, dat, naar mijn meening, mijn meening over U beter aldus kort te resumeeren zou zijn: U weet het allemaal al te gòed en àl te goed (± de opinie gecommentarieerd door W. van Konijnenburg in De Delver van Oct. '34, die echter overdrijft; U kent het stukje?!)

Wellicht weet U het in 't algemeen beter dan ik, eenvoudig leeraar, nog steeds ([??], eerzucht) niet ‘hooger’ dan ‘op’ het Stedelijk Lyceum in Den Haag, en slechts dilettant-philosoof, - maar dit geldt toch niet altijd! ‘Verderfelijk’ is dus veel te mooi en ook te simplistisch*: in sommige opzichten en op verschillende momenten vind ik U een bepaald zeer verdienstelijk criticus, alleen niet geschikt voor de krant.

Over objevtiviteiten-theoriën en het objectiviteits-ideaal (in de praktijk heb ik het inderdaad nog niet ver gebracht; ik ben vast ongeschikt als criticus) had U mij pas mogen aanvallen - met een onduidelijker onderteekening dan [??af??]en antwoord-plaats - na kennisneming van mijn geredeneer in een tijdschrift (binnenkort). - Ik hoop, dat ik, na de voorloopige beoordeeling in Uw brief van 12 Febr. '34, ‘Judith’ dan spoedig bespreekt in de krant: misschien interesseert hetgeen talrijke gehoor van mijn lezing zich er nu extra voor. (In afwachting van de realiseering van Defresne's speel-voorneemen is ‘Judith’ langzamerhand een bedaarde dame geworden; enfin!)

Tot slot en nogmaals, ik vind het jammer, en stom van mezelf (ik ben ook een beetje over 't paard getild: stuurt U dus de tillers maar niet hier!), dat ik, geen antwoorde krijgende van U, me maar in overdreven haast tot den Heer S. heb gewend: Que voulez vous?!........en wat te snel beschikt, is dus emotiviteit, ook al handel je niet in de eerste plaats pro [doms??].

Hoogachtend,

[handtekening]

 

P.S. Dit briefje was af, maar nog niet dicht, toen ik Uw memorandum vond met mijn schrijven aan den Heer S. met dank voor de terugzending, [paraaf]

U beoordeelt, uit onkunde wellicht, Heymans objectiviteitsprincipe ook te simplistisch, te veel als ‘esprit synthétiqué’ ([??] synthese).

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie