Jos de Gruyter
aan
Menno ter Braak

Soesterberg, 12 oktober 1935

12 Okt. '35

 

Zeer geachte Heer Ter Braak,

Veel dank voor Uw brief; ik meen nu wel geheel Uw standpunt te begrijpen, al kan ik mij er nog maar zeer ten deele mee vereenigen. Het lijkt een kwestie van woorden eigenlijk, maar achter dit verschilend gebruik van woorden, deze verschillende gevoelsinterpretatie ervan, steekt natuurlijk een andere levensbeschouwing. Ik ben het geheel met U eens, dat de opvatting van Aristoteles over de tragedie onhoudbaar is; maar wanneer Nietzsche de tragedie enkel, of allereerst, als een ‘tonicum’ beschouwt, dan lijkt het mij toe dat hij zeker niet méér dan de halve waarheid te pakken heeft. Alle kunst is een tonicum, alle kunst verhoogt het machtsbesef van wie haar ondergaat, alle kunst wordt genoten en geeft een schoonen schijn - goed, maar gebruikt men dan de woorden niet in een zóó ruimen zin, dat zij alle beteekenis verliezen? Kan men dan niet nog een stap verder gaan en zeggen, dat ook elk leven ‘genoten’ wordt, ook het smartelijkste? En dat het Abesijnsch slagveld een Tonicum voor de menschheid is en ongetwijfeld een boeiend en schoon schouwspel biedt? Heel wat boeiender en schooner dan bijv. Goethes ‘Werther’?

Dat Rembrandt niet minder dan Hals van zijn schilderen genoot, Van Gogh niet minder dan Renoir, ben ik roerend en dadelijk met U eens. Maar daarom kan nog wel het geheele complex van biologische en psychologische motieven, verlangens, driften, enz., dat tot dat schilderen aanleiding gaf, zéér verschillend geaccentueerd zijn geweest en bijgevolg ook kan de uitwerking op den beschouwer van het werk een totaal andere zijn. U hebt er bezwaar tegen, dat Rembrandt een dieper levensinzicht zou hebben gehad dan Hals, en U laat hier op volgen, dat U gelooft dat ‘een werkelijk met ideeën beladen schilder per se een slecht schilder zal zijn’. Het laatste ben ik weer volkomen met U eens, maar ‘diepte’ is toch een kwestie van de totale persoonlijkheid en niet van ideeën! Voor mij zijn de instincten vaak tienmaal dieper dan de diepzinnigheden van het bewust denkleven, al kan men m.i. het kunstwerk uitsluitend beoordeelen naar de totaliteit der persoonlijkheid, die er in uitgedrukt is. En mij aldus instellend aarzel ik niet te schrijven, dat Rembrandt een veel diepere persoonlijkheid was dan Hals en reeds daarom, vermoedelijk -men kan zulke dingen moeilijk gaan bewijzen- ook veel meer geleden zal hebben. Om de smart te illumineeren, moet men haar toch eerst gevoeld hebben, en wel met die intensiteit althans hebben gevoeld, dat de drang opkomt haar op een andere wijze af te reageeren of te sublimeeren enz.. Dat zij in dit proces afmetingen kan aannemen, die zij niet aanvankelijk in de werkelijkheid bezat, doet aan haar reëel uitgangspunt m.i. niets af. Wij moeten toch òòk onder de oogen zien, dat in het geval van bepaalde ‘tragische’ kunstenaars het reëele levensleed ter dege ondragelijk was (Van Gogh bijv.) -zoudt U zulke figuren mede uitsluiten als illuminatoren van hun smarten en niet werkelijk als de ‘menschen van hun smarten’ willen beschouwen?

Wat tenslotte de ‘chaos der moderne schilderkunst’ betreft, die chaos lijkt mij allereerst te wijten aan den eeuwenlangen nadruk in Europa juist op den ‘schoonen schijn’ gelegd. Indien wij wat meer naar binnen en minder naar buiten hadden geleefd, was die chaos overbodig geweest. Thans acht ik hem noodzakelijk en vruchtbaar: ik neem graag de steriliteit van Van der Lecks laatste werk (gevolg van Bremmers verkeerde wegwijzing, maar mede een bewijs van een tekort aan vitaliteit natuurlijk), op den koop toe, wanneer daar elders zooveel tegenover staat: Van Gogh, Gauguin, Picasso, Klee, Kruyder, enz. -‘goede schilders’ allen, zeker, maar men kan ze daarom toch moeilijk allereerst verheerlijkers van den schoonen schijn heeten; indien ze het zijn, dan zijn ze het pas in de laatste plaats. Ik althans kan het begrip ‘schoone schijn’ niet anders begrijpen-.

Dit is, zeer in het kort, mijn antwoord op Uw argumenten. Mijn eigen standpunt heb ik meer in mijn vorige brief (en uitvoerig in mijn boek over de Europeesche schilderkunst na 1850) getracht duidelijk te maken.

Inmiddels met vriendelijke gr.

Uw Jos de Gruyter

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie