T. ter Haar-Koch
aan
Menno ter Braak

[april 1931]

Lieve Menno,

Je weet niet hoe beroerd ik ervan ben, dat 't mis is, heelemaal uit, hoe kan dat nou, 't leek alles zoo natuurlijk en goed.

Lieve jongen ik heb zóó met je te doen, God, Menno, waardoor is 't zoo. Ik pijnig me af over 't wat en hoe en ben er aan een stuk mee vervuld. Ja, nu zijn alle illusies kapot, dat is juist zoo vreeselijk.

Ik vind het heerlijk dat je komen kunt en wilt a.s. Zondagavond (natuurlijk ook logeeren). We hebben niets en als we 't hadden, zei ik het natuurlijk af.

Hoe kan dit alles, het is lang nog tot Zondagavond te wachten om te hooren en te praten, ja Jo is er ook ellendig aan toe, eindelijk is ze weggegaan, hij wil in niets toegeven, is redeloos, egoïst, onbewust en hard als graniet. Als ik hem zag zou ik hem wat kunnen doen.

Ik denk nog steeds aan jullie beiden, wat heeft 't leven toch vreeselijke kanten.

Dag Menno tot Zondag

je Tops

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie