Briefwisseling Menno ter Braak - L.J. Jordaan

Menno ter Braak
aan
L.J. Jordaan

Eibergen, 12 december 1924

Eibergen, 12. XII 1924.

 

Zeer geachte heer Jordaan,

Met veel genoegen ontdekte ik in het laatste nummer van de ‘Groene’, dat U mijn adhaesiebetuiging door Uw citaat op prijs stelde. Dat ik mij (en naar ik weet, met vele anderen uit studentenkringen) zonder reserve aan Uw kant schaar, behoef ik dus verder niet meer te betoogen. Helaas kan ik, door de beperkte ruimte van een studentenweekblad, maar zeer weinig assistentie verleenen, aangezien ik ook de Tooneel kroniek voor mijn rekening heb. Ik moet mij bepalen tot de goede (dus zeer enkele) en den abnormaal-walgelijke films. Mijn bespreking van het tweede deel van de Nibelungen zond ik U toe; misschien kunt U hieruit eenige conclusie's trekken aangaande mijn positieve waardeering voor de film als zelfstandig kunstgenre. Tenslotte is ridiculiseering van een monstrum als ‘De Tien Geboden’ gemakkelijk genoeg!

Gaarne zou ik, naar aanleiding van deze schriftuurlijke aanknoopingspunten, eens persoonlijk kennis met U maken. Misschien is het mogelijk een fluitbrigade bij Paramount premières te fourneeren (ik kan voor een aantal vurige strijders zorgen). Of is het doeltreffender een Anti-Amerikanisme-organisatie op te richten? De Monroeleer kan als zinspreuk dienst doen, zij het met eenigszins gewijzigde beteekenis.

Mocht U iets voor nadere kennismaking voelen, dan ben ik in mijn dagelijksch leven steeds in ‘Américain’ te bereiken. Helaas heeft de vacantie mij naar het platteland gedreven, dat ik pas half Januari weer met de stad verwissel.

Ik hoop, dat U mijn bescheiden medewerking bij Uw veredelings-streven in ieder geval aanvaardt.

Met de meeste hoogachting,

Uw dw. Menno ter Braak,

litt. cand.,

den Texstr. 31b Amsterdam

 

Adres tot ± 15 Jan. a.s.: Eibergen.

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie