Menno ter Braak
aan
Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans

25 februari 1940

Den Haag, 25 Feb. 1940

Kraaienlaan 36

 

Zeer geachte Mevrouw D.F.

Beter laat dan nooit! Want ik ben enthousiast over uw verhaal! Hoe is het mogelijk, vraag ik mij haast af, dat iemand zelf aan de qualiteiten daarvan twijfelt, wanneer die zo evident zijn! Ik heb alleen spijt als haren op mijn hoofd (dat is gelukkig letterlijk genomen nog heel wat), dat ik dit onweer niet in de Vrije Bladen mocht laten rommelen, maar de force majeure heb ik volledig erkend en ik doe dat nog.

Poëzie heeft voor mij (dat zal zeker een gevolg zijn van mijn instelling op de poëzie in het algemeen) altijd nog een bijsmaak van het voorloopige, ‘am Rande geschrieben’; zelfs als poëzie mij zoo direct overtuigt als de Uwe destijds, denk ik altijd: eerst proza zien en dan oordeelen. Nu, uw proza overtreft alles, wat ik na uw poëzie had verwacht. Ik herinner mij niet iets van dezen aard gelezen te hebben sinds Slauerhoffs verhalen en het beste van Elsschot ( ‘De Verlossing’ b.v.), waardoor ik zoo getroffen werd. Ja, nog één ding, dat als zoodanig in de Ned. Letteren ook ‘vereinzelt dasteht’: ‘Mijn zuster de Negerin’ van Cola Debrot. Kent U dat? Het doet wat sfeer en psychologie betreft enigszins aan uw verhaal denken, maar ik zie achter uw werk nog veel meer perspectief. Lieve hemel, ieder personage in dit korte stuk heeft afzonderlijk meer om het lijf dan b.v.een heele roman van Jeanne van Schaik-Willing (die op zichzelf onder de dames toch lang geen gek figuur slaat). Ik zie maar één vergelijkingspunt: Slauerhoff, tenminste binnen onze grenzen. Die combinatie van psychologie en poëzie had hij ook; maar U is in geen enkel opzicht zijn mindere; integendeel, hij heeft heel wat proza geschreven dat als geheel bij ‘Onweer’ niet zou halen. ‘Zij reden langs een moeras, waar duizenden gele vogeltjes kookten en ziedden’: dat is voor mijn gevoel schrijven, maar deze prachtige natuur spiegelt zich ook in de psychologie. Overvloed met een minimum aan uitdrukkingsmiddelen: dat blijft tóch altijd het criterium van goed schrijven, niets anders overtuigt mij.

Na dit gelezen te hebben, voel ik mij meer dan ooit gerechtigd om serieus pressie op U uit te oefenen. Van de maan gezien, is het natuurlijk onbelangrijk, of u publiceert of niet, dat geef ik bij voorbaat toe. Maar aangenomen, dat het publiceeren van goede (en dus a fortiori van superieure) dingen enkele menschen een gevoel geeft van zelfrechtvaardiging en daarom niet overbodig is: dan moet U vooral publiceren en zich niet door bij-overwegingen laten weerhouden. Er zijn maar heel weinig auteurs in Nederland, van wie ik dat zonder eenige restrictie zou zeggen; bij de meesten heeft men den indruk, dat zij, ook al zijn zij talentvol, toch wel gemist zouden kunnen worden. Alleen U en Gomperts zijn eigenlijk de menschen van uw generatie, waarvoor ik volle 100 procent in zou willen staan; ik bedoel in dit geval: als schrijver, het menschelijke is daarbij al verondersteld. Nu ben ik misschien niet de man om te ‘bezielen’, omdat ik zelf te sceptisch sta tegenover het litteratuurbedrijf om, op zijn greshoffsch, op de ‘talentenjacht’ te gaan. Ik voel niets voor ‘aanmoediging’: maar ik voel voor complotteeren met de weinigen, die ook wat sceptisch staan tegenover die dingen, door hun te zeggen: ‘Laten wij toch maar publiceeren, als wij geschreven hebben’. In dit complot, waarin ik Gomperts een beetje heb kunnen betrekken, zou ik ook U willen betrekken. Als U niet publiceert, wie moet het dan wel doen? Hoornik soms? Of de Amsterdamsche kleutercynica school? Neen, mevrouw Vasalis, U moet publiceren, en zij… nou ja, zij ook, maar meer voor de ‘vulling’. Ik zou U haast willen aansporen om niet te veel tijd aan de medicijnen te besteden, en meer tijd aan het schrijven, maar ik weet, dat zulke adviezen onzinnig zijn; dit advies teekent dus alleen mijn geestesgesteldheid t.o.v. uw zojuist gelezen proza. Bovendien: als man zijnde kan ik niet beoordelen, hoeveel tijd een baby in beslag neemt, dat is ook nog een factor… Echter: dit is alles bijzaak. Hoofdzaak is, dat U moet gelooven in Uw eigen schrijverschap. Een groot woord, maar het kan in enkele gevallen geen kwaad, dat ‘gelassen anzusprechen’. Iemand, die ‘Onweer’ kan schrijven, kan dingen schrijven, waarbij zelfs Slauerhoff een kind is: U hebt perspectieven, die bij hem ontbraken, U hebt met name niet die monomane landerigheid, dat quasi anti-intellectueele, dat Slauerhoff zoo tekent, en van allerlei anders isoleert.

Inderdaad, de Vrije Bladen bestaan nog. Zoojuist verscheen ‘Catastrofe der Scholastiek’ van Gomperts, waar mee ik erg in mijn schik ben: in Januari gaven wij een bundeltje van Lehmann uit (‘Subjectieve Reportage’): een ‘nur’-dichter, een soort phaenomeen van 19 jaar, maar overigens een wezen, waarvoor ik geen hand in het vuur zou steken. Hij kan misschien plotseling, à la Rimbaud, uit elkaar ploffen, of gaga worden. De Vrije Bladen bestaan dus nog, maar ik vrees, dat daaruit nog niet volgt, dat U mij ook iets stuurt. De ervaring leerde mij, dat U (evenals ondergeteekende trouwens) wat traag is in de correspondentie. Van Uw moeder hoorde ik telefonisch, dat U misschien Donderdag in Den Haag bent. In dat geval hoop ik, dat U mij opbelt, opdat ik U weer eens een mondelinge belofte kan afpersen. Weliswaar meen ik ’s avonds door de Boekenweek ex officio bezet te zijn, maar ’s middags ben ik zeker vrij.

Aan een roman ben ik al jaren bezig… in mijn hoofd. Maar ik zou een half jaar in Zuid-Afrika willen zitten om dat gedachtending op papier te realiseeren. Ik durf er eerder ook niet goed over te praten, behalve in raadselen.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting

Nog iets anders: een mijner collega’s van ‘Het Vaderland’, Adriaan v.d. Veen ( U hebt misschien iets van zijn proza gelezen?), gaat in Maart ook naar Amerika, hij blijft in New-York. Ik heb hem aangeraden U te schrijven, want hij zal daar wel graag een paar menschen hebben, waar hij eenig contact mee heeft. Een heel aardige jongen, als prozaist m.i. ‘talentvol’ (al behoort hij niet tot degenen met wie ik wil complotteeren op basis bovengenoemd), en intelligent. Ik hoop, dat U van hem zult hooren, en dat U hem in New-York zult zien. Dit alles natuurlijk: Hitler volente; die term duikt letterlijk overal in brieven op, zooals in de middeleeuwen ‘appropinquante termino mundi’.

m. vr.gr. Uw

Menno ter Braak

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie