Menno ter Braak
aan
W.L.M.E. van Leeuwen

Rotterdam, 7 februari 1933

Beukelsdijk 143 b

7 Febr. 1933

 

Beste Wim en Gerda

Ik heb nog bepaald het land over mijn schuldeloos aandringen bij Gerda op een litterair antwoord, nu ik je brief gelezen heb! Nu ik hoor, dat zij al eenigen tijd ziek is, lijkt het me onwillekeurig, of ik dat had moeten weten en geen grapjes maken over een gebroken belofte! Wat is litteratuur vergeleken bij gezondheid en ziekte! Ik hoop, dat de beterschap aan zal houden en in tempo zal versnellen. Lam zijn zulke dingen zonder vaste diagnose, maar als er vooruitgang is, zal het ergste wel weer geleden zijn. Heel veel beste wenschen!! De ‘vrouwenquaestie’ laat ik nu voorlopig maar rusten tot een mondelinge gelegenheid. Alleen vast dit: natuurlijk is er in Marie een massa Karin! Ik heb dat ook trachten aan te geven door haar onwillekeurige jaloezie bij haar ontmoeting met de hysterische juffrouw v.d. Wall. Marie is (of liever: moet volgens mijn bedoelingen zijn) een vrouw, waarin de ironie wel een ‘aangeboren’ eigenschap is (zooals ook in Dumay); maar haar speelt de Karin-kant parten, zooals Dumay de George-kant. Ik heb dat werkelijk niet zoo bedacht; het kwam tot mijn eigen verbazing hoe langer hoe meer zoo uit.

Mijzelf bekruipt steeds meer de afkeer van alles wat op het kunstproduct litteratuur lijkt; ik lees tegenwoordig minder dan een gemiddelde arbeider van de A.J.C., denk ik, alle neiging om nog boeken te lezen en ze dan weer snel te vergeten, ontbreekt mij tegenwoordig; Fabricius of Alie Smeding, lood om oud-ijzer; ik mis er het wezen Fabr. of Smeding zelf in. Het boek, waar ik aan werk, mag geen litteratuur meer zijn, geen onderdeel althans van de kuntsproductie. Ik heb een hoofdstuk aan mijn hond opgedragen, zonder eenige coquetterie. Mijn vraag is nu: waarvoor dient de omweg ‘geest’ toch, als er zooveel directe middelen zijn om met de enkele menschen, waarom je iets geeft, in contact te komen? Moet ik van een zekere ‘Liz’ lezen, om te weten, dat Alie Smeding een ware hysterica is? Ik heb haar een half uur hier in mijn kamer gezien, gehoord (en ik had haast gezegd: geroken, maar zij was niet geparfumeerd), ça suffit. Je hebt haar, vind ik, ondanks je vele reserves, nog te goed behandeld, door b.v. niet te wijzen op die stijve marionetten van bijfiguren, die in het boek opduiken. (De heer Kan b.v., ‘auteur’), ander voorbeeld: Jo Otten. Ik dineer iedere Dinsdag met dien man, [woord onleesbaar] is een beste, geschikte vent, maar geloof me, zijn heele ‘Bed en Wereld’ is een (onbewuste) comedie volgens procédé's. Hij maakt zich al die humorlooze tragiek wijs; zijn ware ambitie is heusch het secretariaat van de Ned. Filmliga. Ook hier dus is de communicatie aan een eettafel doorzichtiger dan een litterair werk; het werk is eenvoudig een geacteerde misleiding, een ijdelheidstheater. Overigens onderschrijf ik je critiek wel, maar ik zie veel meer de relatieve waardeloosheid van het heele geschrift. Ik wil graag geregeld je stukken in Tub. Lezen!

Over het boekenlijstje graag nog eens nader. Ik vond die juffrouw Hartog altijd erg sympathiek en het zou mij erg spijten als ik haar ongewild eenige onaangenaamheid had berokkend.

Wolters heeft mij geen presentex. Van de ‘Korte schets’ [2e] druk gezonden! Kun je het mij laten toekomen? Ik gebruik het boek met veel pleizier en houd het dus ook graag bij.

Met de ‘schoonheid’ ben ik het nog niet geheel met je eens; ik geloof n.l., dat de (ook jonge) Tachtigers er wel iets anders mee bedoeld hebben, iets meer ‘artistieks’ dan ik, maar ook daarover eens later.

Voorloopig mijn hartelijke wenschen voor Gerda's beterschap en h.gr. voor jullie beiden van

je Menno

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie