Briefwisseling Menno ter Braak - E.M. van Lonkhuyzen

E.M. van Lonkhuyzen
aan
Menno ter Braak

Amsterdam, 15 december 1935

E.M. van Lonkhuyzen.

Kerkstraat 342

Amsterdam.

15 December 1935

Aan den WelEd. Zr.Gel.Heer

Dr. Menno ter Braak.

Pomonaplein22.

Den Haag

 

Zeer geachte Heer ter Braak,

Naar aanleiding van Uw besprekingen met onzen artistiek adviseur Dr. B.J. van Eyk, betreffende het opvoeringsrecht van de ‘Pantserkrant’, wil ik U het volgende mededelen:

Het doet ons zeer veel genoegen, dat U ons niet alleen toestemming tot deze opvoeringen wilt geven, maar U zelfs bereid hebt verklaard, ons eventueel met Uw raad bij te staan.

Uw eisch om een repetitie en de première bij te wonen, is natuurlijk volkomen billijk en wij willigen dat ook gaarne in.

Het is mij alleszins begrijpelijk, dat U verbaasd moest zijn, deze aanvraag tot opvoering van de vredesbeweging te ontvangen, aangezien U de vredesbeweging juist in het stuk hekelt, zooals elke uitgesproken richting hierin gehekeld wordt.

Ik heb dat niet over het hoofd gezien, maar ik heb de overtuiging, dat gezond denkende menschen in welke beweging dan ook wel degelijk gevoel hebben voor de belachelijke of foutieve kant, die eraan vastzit en dat het zien hiervan hoogstens een aansporing kan zijn deze kant tot een minimum te beperken, terwijl de menschen, die er het meeste aanleiding tot hekelen geven, hoogstwaarschijnlijk niet eens zullen begrijpen, dat het als zoodanig bedoeld is.

De reden, waarom ik het stuk juist op het repertoire van het Amsterd. Vredestooneel zou willen hebben, is, het duidelijk maken van de achtergrond van den oorlog, van de heele perscampagne in dienst van het wapenkapitaal, van het feit, dat een oorlog gevoerd wordt voor andere belangen dan om het ‘vaderland’ te verdedigen.

Het stuk is echter te lang voor een normale opvoering van b.v. acht uur tot half elf. Daarom heb ik getracht het te bekorten. Dit heb ik niet gevonden in het weglaten van bedoelde persiflages, dat alles heb ik geheel intact gelaten. Echter bekortte ik hier en daar, waar ik meende, dat de bedoeling niet geschaad werd, daar er een andere maatstaf aangelegd kan worden aan het zien van een tooneelstuk dan aan het lezen van hetzelfde stuk.

Verder heb ik, rekening houdende met de weinige krachten, waarover ik in mijn groep beschik, gemeend de rol van den redacteur Brown, te moeten toekennen aan een vrouw die hiervoor uitermate geschikt is.

Naar ik meen heeft de heer van Eyk U een en ander reeds verteld. Ik vond het echter van belang, waar ik de regie en dus ook de coupures in handen heb, U persoonlijk te schrijven, hoe ik denk het stuk als zoodanig in overeenstemming te brengen met de bedoelingen van het Vredestooneel.

Hierbij stuur ik U het stuk op, zooals ik bekort heb en hopende, dat dit een bevredigende aanvulling is van het mondeling onderhoud met den heer van Eyk en dat ik een enkele keer Uw advies zal mogen inwinnen, verblijf ik,

met de meeste hoogachting:

namens het Vredestooneel:

Bets van Lonkhuyzen

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie