Menno ter Braak
aan
Nieuwe Rotterdamsche Courant

[Den Haag], 6 mei 1939

6 Mei 1939

 

Mr. P.C. Swart

Hoofdred. Nieuwe Rott. Courant

ROTTERDAM

 

Zeer geachte Heer Swart

Ingesloten doe ik U copie toekomen van mijn ontslagaanvrage aan den heer Nijgh. Het is mij, zooals ik U gedurende ons onderhoud van gisteren reeds aanduidde, onmogelijk Uw opvatting van liberalisme ten opzichte van Uw medewerkers anders te beschouwen dan als een vorm van gematigde, maar daarom niet minder kenmerkende ‘gelijkschakeling’, en ik ben bereid de consequenties daarvan te trekken door heen te gaan. Mijn begrip van liberalisme houdt n.l. in, dat een leider de werkzaamheid van de personen, met wie hij samenwerkt, niet door schematische indeeling kan bepalen; Uw indeeling in ‘zuivere kunst’, ‘politiek’, ‘religie’ (alsof men deze zaken gescheiden zou kunnen beoefenen) is voor mij een scholastische fictie, en ik zou mij, zelfs indien ik dat in dezen tijd voor mijn geweten zou kunnen verantwoorden, niet in staat achten aan de eischen der daarbij behoorende casuïstiek tegemoet te komen. Mijn samenwerking van vijf en een half jaar met den heer Schilt berustte op den vorm van liberalisme, dien ik hierboven als de mijne heb gekenschetst, en die blijkens de resultaten dier samenwerking zeer wel voor verwezenlijking vatbaar is.

Intusschen: voorzoover het hier een theoretisch verschil van inzicht betreft, respecteer ik Uw opvattingen, die nu eenmaal anders zijn dan de mijne, en heb ik (nu de autoriteit van den heer Schilt, naar ik uit Uw woorden meen te moeten opmaken, voortaan niet meer dan een leege formule zal zijn) mijn houding als redacteur van het Vaderland afhankelijk te stellen van de Uwe als hoofdredacteur. Ik zou echter onvolledig en oneerlijk zijn, wanneer ik u bij dit afscheid mijn gevoel van bittere terleurstelling verheelde over de wijze, waarop u den brief van den heer Nijgh met Uw authoriteit hebt willen dekken, hoewel U tijdens ons gesprek de onhoudbaarheid der daarin vervatte lukrake beweringen met zooveel woorden hebt moeten toegeven. Het is mogelijk, dat de heer Nijgh (met wien ik geen verdere correspondentie zal voeren over andere dan strikt zakelijke aangelegenheden) geen betere middelen heeft om pressie uit te oefenen; maar ik was tot dusverre werkelijk zoo naïef van U iets anders te verwachten dan de goedkeuring van een document, dat onbewezen en onbewijsbare verdachtmakingen inhoudt van mijn goeden naam.

Ik hoop voor U, dat U zich over deze houding voor Uzelf kunt verantwoorden en wensch U van harte toe, dat het U gegeven zal zijn een opvolger voor mijn persoon te vinden, die in staat zal zijn zich naar Uw wenschen te richten.

Met de meeste hoogachting,

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie