Briefwisseling Menno ter Braak - H. Nijgh

H. Nijgh
aan
Menno ter Braak

Rotterdam, 4 mei 1939

Rotterdam C., 4 Mei 1939.

 

Den Weledelzeergel. Heer

Dr. Menno ter Braak,

Redactie Het Vaderland,

DEN HAAG.

 

Geachte Heer ter Braak,

Wij zijn verplicht, tot ons leedwezen, U een laatste waarschuwing te geven. Wie niet hooren wil, moet voelen en waar U blijkbaar de wenschen van Uw hoofdredacteur aan Uw laars lapt en daardoor ook die van den gedelegeerde voor redactiezaken van Het Vaderland, zijn wij verplicht U te waarschuwen, dat wij van U niet meer zullen dulden gekif en politiek in Uw geschrijf en overbodige persoonlijke aanvallen, als die aan het adres van den heer Hans in Uw laatste artikel.

Van de gelegenheid maken wij gebruik, om de wenschelijkheid uit te spreken, dat U in Uw werk wat meer objectief wordt, d.w.z. niet voortgaat op de wijze als U dat gewoon bent te doen, Uw vriendjes voor te trekken en de verschenen boeken van andere opvattingen dan de Uwe voor een groot deel links te laten liggen. Die wederkeerige ophemelarij van een kleine groep begint het publiek te vervelen. Wij hebben den heer Schilt verzocht in de toekomst nauwer op Uw werk toe te zien. Het laatste artikel had hij niet door moeten laten.

Ziet U geen kans, aan ons verzoek te voldoen of zijt gij daar niet toe bereid, wilt het ons dan ronduit zeggen en tevens met de grootste spoed naar een andere positie uitzien. Het spreekwoord ‘wat gij niet wilt, dat U geschiedt’ had U wel eens mogen toepassen na Uw kritiek op dr. Krekel, door thans niet zelf aanleiding te geven tot ergernis.

Als Hans Vestdijk becritiseert, kan U dat koud laten. V. kan best zichzelf verdedigen; buitendien achten wij antikritiek ontoelaatbaar.

Hoogachtend,

Uw dw,

H. Nijgh

 

Ook namens Mr. Swart

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie