Menno ter Braak
aan
C.H. Bos-Everts

Amsterdam, 14 april 1929

Door je laatste brief heb je me goddank eindelijk bevrijd van het spookachtige denkbeeld der gelijkenis en herhaling! Plotseling sta je voor me als de totaal andere, al heb ik je dan nog niet gezien. Ik ben blij, dat een deel van mijn analogieconclusie onjuist is, in de eerste plaats voor jou, maar ook voor mij. Er is niets ellendigers en afmattenders, dan voortdurend betrokken te zijn in een huwelijk, dat gebaseerd is op een vergissing en op gebrek aan begrip, terwijl er in laatste instantie geen enkel middel is, om aan de begonnen vergissing een einde te maken. Het is moeilijk, daarover te schrijven, even als over madame X, waarvan ik je te zijner tijd alles zal vertellen. Laat ik voorloopig alleen maar zeggen, dat ik aan ieder moment van deze verhouding met dankbaarheid terugdenk en dat ik mezelf in deze verhouding eigenlijk pas ‘ontdekt’ heb. Daarom irriteerde de gelijkenis me ook niet; ze gaf me alleen de sensatie van beperktheid der ‘ontmoetingssoorten’; maar die beperktheid voel ik nu, na je brief, niet meer.

Er zijn dus wel heel diepgaande verschillen tusschen jou en madame X. (Ik vind het vreemd, om een naam te noemen, die je niets zal zeggen, zonder dat ik je er een beeld bij geef; dit dus later). Toch vermoed ik, dat jullie wel veel op elkaar zult lijken; de omstandigheden zijn ten slotte bijzaak, al is het onmogelijk, om er aan te ontkomen. Je begrijpt wel: nu moet ik je zien. Het eenige serieuze argument contra was mijnerzijds, dat ik niemand door mijn aanwezigheid onaangenaam wilde zijn. Nu dat ook niet het geval is, kom ik, of kom jij; ik weet niet, wat het eerst mogelijk is. Ik kan je nu niet veel meer schrijven, zonder dat ik weet, wie je bent. Er is allerlei in je brief, waar ik tegen zou willen opponeeren; maar als ik het wil doen, stoort me voortdurend de bijgedachte, dat ik je niet voor me zie. Het is mogelijk en waarschijnlijk, dat we hetzelfde bedoelen, waar jij andere woorden kiest dan die de mijne zouden zijn. B.v. het woord ‘veiligheid’ komt in mijn vocabularium niet voor, behalve voor de koers van den dollar; en toch ben ik overtuigd, dat we hetzelfde bedoelen, als je over de veiligheid van een volkomen gelukkig huwelijk spreekt. Ik ben juist bezig met al deze dingen al schrijvend af te rekenen in mijn boek ‘Het Carnaval der Burgers’, dat op anderhalf hoofdstuk na af is. Als ik, bij het schrijven van deze afrekening, denk aan hetgeen ik voor drie jaar als mijn particuliere zekerheden beschouwde, zou ik hardop kunnen lachen. Zooals ik over drie jaar waarschijnlijk weer over mijn tegenwoordige veiligheden zal moeten lachen. Ik wil niets vasthouden, om daardoor alles te kunnen vasthouden; geen enkel begrip wil ik heel laten en geen enkel gevoel onaangetast, om daardoor te kunnen erkennen, dat ieder begrip een noodzakelijke ‘veiligheids’klep is voor ieder onveilig gevoel. Enfin, daarover mondeling meer. Ik ben waarschijnlijk verschrikkelijk onduidelijk zoo.

Maar laat ik eerst pogen, spijkers met practische koppen te slaan. Het lijkt me het best, nu we de verantwoordelijkheid van de ontmoeting zo edelmoedig op elkaar hebben afgewenteld, dat we beiden de verantwoordelijkheid maar op ons nemen, maar dat jij een concreet voorstel doet, waarvoor ik je hierbij gegevens over mijn plannen verschaf. Je weet, geloof ik, niet eens, wat ik uitvoer voor het dagelijksch brood. Dat is in deze maanden ook maar schraal. Ik studeerde in 1926 af, woonde toen een tijd in Berlijn, omdat ik op een krankzinnige Duitsche keizer wilde promoveeren, en was na mijn promotie in juli 1928 tijdelijk leeraar in de geschiedenis en nederlandsch aan een H.B.S. in Amsterdam. Na December '28 ben ik eigenlijk ‘werkeloos’. D.w.z. ik ben ook nog filmexploitant, zooals je weet; en met dit zonderling bedrijf moet ik nu voorloopig maar aan de kost komen. Ik houd dus lezingen voor Volksuniversiteiten e.d., het meest nuttelooze werk dat er bestaat; maar het is vaak wel amusant. De reacties van het publiek... enfin, die ken je van ‘La Coquille et le Clergyman’! En verder schrijf ik, maar daarvan kan zelfs geen bedelaar leven. Ik geef deze balans, om je een idee te geven van mijn levensstatus, die dus nu vrij ‘los-vast’ is. Deze week zit ik in Amsterdam vast, daar a.s. Zaterdag onze laatste amsterdamsche Liga-matinee is, waarvoor een nummer van het tijdschrift in elkaar moet worden gezet; dit kost me gewoonlijk drie dagen. Zaterdagavond moet ik nog naar Arnhem voor een Ligavoorstelling aldaar, zoodat ik aan handen en voeten gebonden ben, zij het dan niet door een appendix. Vanaf de volgende week ben ik voorloopig vrij; ik trek me dan in Eibergen terug, om aan mijn boek te werken. Vandaar kan ik zoowel naar Eindhoven als naar Amsterdam komen, wat jou het beste lijkt.

Voor ‘geforceerdheid’ was ik ook eigenlijk niet heel bang. Of liever: je zult zien, dat ik altijd geforceerd doe, als ik iemand zie, die ik niet ken. Op de genezing van deze kwaal kunnen we moeilijk wachten! Zoo gemakkelijk als ik in een brief direct kan zijn, zoo omslachtig, stijf en ‘correct’ ben ik in de omgang. Misschien valt het mee, als ik het je nu maar vast zeg. Er zijn menschen, die deze pose gauw door hebben, en daar zal jij waarschijnlijk ook wel toe behooren. Maar: ‘godbewareme’ zal ik toch in geen geval zeggen, zelfs al zou ik het meenen. Deze eerlijkheidsgraad bezit ik niet dadelijk.

Je bent dus Lieneke. Een nieuwe naam: voor mij tenminste. De eenige Lieneke, die ik ken, was een kind uit Eibergen, waar ik in mijn prille jeugd een hekel aan had en waarmee ik placht te vechten. Maar dit sans rancune. Je weet, hoe het gaat met een nieuwe naam; het duurt een paar dagen, voor het beeld er mee versmelt.

Voor mij behoef je geen zorg te hebben. Ik heb niets te verliezen en alles op de wereld, wat de moeite waard is, is winst. Tenslotte heb ik ook mijn ‘rijkdom’, al heb ik dan alle veiligheid over boord gegooid, moeten gooien. Hoe mijn kristallisatieproces verloopt, daarover kan niemand iets zeggen; maar waarom zullen we daarover discussieeren, voor dat noodig is? Hoofdzaak is, dat ik niemand ‘benadeel’; want dit woord is alleen maar toepasselijk op menschen zonder begrip van deze imponderabilia. Mijn rijkdom is deze, dat ik een gevoel desnoods wel vermoorden kan, als het noodzakelijk is, terwijl ik het dan toch niet kwijt ben. ‘Ich habe meine Sache auf Nichts gestellt’.

Schrijf je me dus nog, welke plannen je maakt? Leg me in dit opzicht maar een dictatuur op; als het eenigszins kan, gehoorzaam ik dan wel.

Hartelijke groeten

je Menno ter Braak

 

Na het schrijven van het bovenstaande ging ik in het Concertgebouw Mahler hooren, omdat ik aan je naam wilde wennen. De muziek geeft altijd de gevulde leegte, die noodig is, om dingen, die je in één seconde kunt zeggen, duizend maal heen en weer te draaien, zoodat ze eindelijk vertrouwd worden.

Ik sluit deze brief in bij een exemplaar (het laatste, dat ik heb) van mijn studies over de film. De helft is, volgens jouw definitie, buiten mij om geschreven, ontdek maar welke.

 

Origineel: particuliere collectie

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie