Menno ter Braak
aan
Johan van der Woude

Den Haag, 25 mei 1936

25 Mei '36

 

Zeer geachte Heer v.d. Woude

Hartelijk dank voor Uw brief en het nummer van de V.Bl., dat ik inmiddels al eerder van den uitgever had ontvangen. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik Uw studie met zeer veel genoegen heb gelezen; al heb ik verschillende detail bezwaren, ik ben U en den heer Teipe voor alles erkentelijk voor deze loyale en critische reactie op mijn werk, zooals die tot dusverre zeldzaam was. Wat er alzoo over mij werd geschreven varieerde tusschen adoreerende nonsens en halfzachte of roomsche wansmaak.

In het a.s. Zondagsblad van Het Vaderland bespreek ik Uw brochure en schrijf over mezelf als een dubbelganger. Ik zend U dat artikel na verschijnen toe.

Een m.i. ernstig mankement van Uw beschouwing, dat ik niet in dat artikel zal vermelden, omdat de krantenlezer er weer een verwijzing naar een bentgenoot in zou zien, maar dat ik U persoonlijk toch even wil schrijven, is, dat U de invloed van Du Perron op mijn werk niet is opgevallen. Ik ben mij te zeer bewust van dien invloed, die zichvooral heeft geopenbaard in een losser-worden van den stijl (na het ‘Carnaval’), dan dat ik dien zou mogen verzwijgen. Deze invloed betreft waarschijnlijk vooral de wijze van mededeelen; mijn gedachtengang is door Du Perron weinig beïnvloed, omdat wij langs elkaar heen denken en alleen de wrijving bij die passage contact veroorzaakt. Daarentegen hebt U treffend juist den invloed van Dèr Mouw gekarakteriseerd; zelfs de citaten zijn juist die, waarvan ik tien jaar geleden ‘Anregungen’ kreeg.

Ik ben de volgende maand gedurende een week in Bilthoven en hoop U dan te bezoeken,

hoogachtend

uw

Menno ter Braak

 

Origineel: Arnhem, Geldersch Archief

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie