D.A.M. Binnendijk
aan
Menno ter Braak [Den Haag]

Zutphen, 18 juli 1924

Zutfen 18-VII-XXIV.

 

Ouwe lul. Die mij lief is als mijn eigen dito.

God zegen de greep! Sic.

Kort gezegd, dit:

1°. Uitsprekend, dat je niet te veel kunt werken in den Haag. Alleen, omdat ik dat hier ook niet kan. Mijn jaloezie evolueert hier heftig. Ik benijd iedereen en heb niemand lief. Behalve, zie boven. Etc.

2°. Dat je 26 Juli ten mijnent verschijnt is alleszins plausibel. Of je kunt blijven logeeren, is 'n tweede kwestie. Daarvan valt in deze, onverwacht, drukke seizoenatie niets vooruit te zeggen. Doch kom en zie!

3°. Je weet, dat ik, vanuit Eibergen, aan Jan schreef in antwoord op zijn beide brieven aangaande de bundeling der verzen en d'uitgaaf bij Clausen. Hij moet dezen brief dus nooit ontvangen hebben, als ik dit goed uit je geschrift opgemaakt heb. Je weet, wat ik hem schreef: waarom ik - persoonlijk - ertegen was en niet meedeed (pretentieusheid, vooral bij 'n debuut; cynisme tegenover mijn eigen, tot nog toe geschreven, werk) en dat Marsman er niets voor voelde. Jij komt nu toch in A'dam, volgende week; wil je hem dit dan meedeelen of, zoo je hem niet ziet, bel dan op aan de Bank. Weer dezelfde brief aan hem componeeren staat me tegen.

En dan nog: laat Jan over de verhouding Magd. - mij, niet verder kletsen s.v.p. Druk hem dat nauwkeurig op zijn hart! Je had hem eigenlijk maar niet moeten inlichten. Zoo iets werkt altijd falikant. Jo weet het nu waarschijnlijk ook en die is me te intiem met ‘Mary la lesbienne’ en mevr. Alberts die beiden voor 'n leugen of 'n intrigue niet bang zijn.

Het is merkwaardig, dat ook ik mij aan de aphorisme heb gezet. Zij het dan ook niet van zoo luchtig, dan toch van even cynisch allure. De jouwe zijn, over 't algemeen, bizonder puntig en snaaksch. Verdomme, als Sch. nog tot dergelijke ‘intelligente spatten’ inspireert, moet je toch meer van de zee gezien hebben dan je het wel wilt doen voorkomen. Zonder de zee waren de snollen de snollen gebleven, had je gekeken - maar had je dit niet kunnen schrijven. Hulde!

Jo schijnt in haar vorig emplooi zoo veel als ‘dienstweigering’ (hoe idealistisch klinkt dat nietwaar!) gepleegd te hebben. Maar daar ik er het fijne ook niet van weet en mij voor de verdere strapatzen dezer onzekere en twijfelachtige verschijning slechts uit de verte interesseer, zal ik er het zwijgen toe doen.

Vale.

Tot spoedig. Je zorgt wel voor de verzochte zaken.

je D.

 

Zeg aan Jan Walch, dat ‘een vriend van je’ - namen noemen hoeft niet - vermoedt, dat hij aan bedwateren lijdt. Franciscus nog es toe!

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie