D.A.M. Binnendijk
aan
Menno ter Braak (Rotterdam)

Amsterdam, [na 27 januari 1931]

 

Beste Menno,

Met verontschuldigingen voor de traagheid der verzending, hierbij dan eindelijk het antwoord-artikel, dat in het Februari-nummer van De Vrije Bladen komen zal.

Van Bep hoorde ik, dat je griep had. Is dat zoo? Of beter: heb je het nog? Hoe gaat het dan; er heerscht ontzettend veel griep hier, en soms lang niet zoetsappig.

Verder: je schreef bij du Perron te zijn geweest, en eens een samenkomst te willen arrangeeren ter bespreking van de wederom brandende kwestie der kunst. Welnu, ik wil je vast vooraf zeggen, dat ik pertinent ongenegen ben dezen heer te ontmoeten, niet uit vrees voor een debat, maar omdat hij blijk gegeven heeft een zoo intrigant en kwaadaardig individu te zijn (althans hij gedraagt zich jegens mij zoo), dat ik bezwaarlijk lust kan koesteren te genieten van zijn scherpzinnigheid. Deze querulant heeft, naar ik bemerk, een onuitsprekelijke verachting voor mij, die mij werkelijk verhindert hem de blamage van een ontmoeting aan te doen. De oorzaak dezer verregaande weerzin voedt hij door het lezen van mijn verzen en kritieken, die - ook de laatste - zoo minderwaardig moeten zijn van oorspronkelijkheid en gebrek aan karakter of persoonlijkheid, dat zijn Hooge Ziel deerlijk door een kennismaking met den drager dezer leegte zal worden geschokt.

Hij heeft, omdat hij jouw stuk tegen Prisma blijkbaar niet afdoende vond, het in een ingezonden artikel nog eens trachten over te doen. In dit artikel verwijt hij mij niet alleen, dat ik een epigonistisch dichter ben (dat hoeft hij mij waarachtig niet te vertellen: dat weet ik zelf genoeg al zal ik er het dichten niet om laten), maar ook dat al mijn kritische overtuigingen uit Marsman's koker komen. Het mooiste is, dat hij beweert mijn essays gelezen te hebben, terwijl juist hierin telkens mijn verschil van meening met Henny aan den dag treedt. Bovendien kan hij het niet zetten, als ik van de meening van H. afwijk, in een kleinigheid natuurlijk maar!, want dan klopt zijn vernietigende theorie niet; dan heet het, dat Marsman tenminste consequent is! Enfin, de geur van het opstel is dermate verpestend, dat ik liever een epigoon ben dan zóó'n oorspronkelijkert, mét persoonlijkheid en de heele gewenschte rompslomp. Hij bezit trouwens de zonderlingste opvattingen over oorspronkelijkheid, die hierop neerkomen, dat men beter een epigoon van een buitenlander of een 17e-eeuwer kan zijn dan van een tijdgenoot (dat noem ik nog eens een principe!); dat hij, zonder de chronologie te raadplegen betichtingen van naschrijverij of beinvloeding afschiet, die hij dan na tegenbewijs terugtrekken moet. Alles ten bewijze hoe scherp epigonisme van oorspronkelijkheid te onderscheiden is. Nu zijn in De Gids van Januari bijvoorbeeld gedichten van Henny Marsman te vinden, waarin op twee plaatsen bijna letterlijk regels uit mijn werk te ontdekken zijn; hij weet, dat hij toen hij die regels schreef aan die van mij heeft gedacht en ze zoo ter plaatse bruikbaar achtte, dat hij ze niet supprimeerde. Voilà! Morgen zal du Perron uitvinden, dat ik en niet Henny plagieerde of epigoneerde, want het is toch onaannemelijk, dat zoo'n lor als Binnendijk Marsman ten voorbeeld is geweest. Ach, ach, die oorspronkelijkheid! Ik weet, dat jij niet zoo kinderachtig bent op dat punt, maar in het bewuste artikel van du Perron komen dergelijke muggezifterijen rustig voor; hij past ze zelfs op zijn eigen werk toe; hij beticht Jan Engelman ervan regels van Van Ostayen te hebben gegapt, terwijl aangetoond kan worden met data, dat het gedicht werd geschreven voor hij die gedichten van V.O. kende!! En dan - dat is het mooiste - vervalt plotseling de onoorspronkelijkheid. Dan blijft voor hem niet gelden de beinvloeding, die van andere verzen als soort op Engelman's werk is uitgegaan. Ook een liefhebberij, zulke critiekvoering.

Om kort te gaan: ik vind du Perron een onverdraaglijk en kwaadwillend stoker, een man die op sympathieën en antipathieën lééft, stikkend in vooringenomenheid (Slauerhoff is altijd goed; ik ben altijd slecht) een interessante kwal, met het accent op kwal. Het belangrijke kan mij dan gestolen worden, mét de scherpzinnigheid.

Voor de aardigheid moet je de critiek van Vic eens lezen op Verwey: die staat vol vrijmetselaarsdialect, met termen als creatief enz. Echt om een artikel tegen te schrijven.

Het beste, en hartelijke groeten van ons beiden,

een poot van

je Dirk

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie