De biografie van Louis Couperus van Henri van Booven

De heer Henri van Booven schrijft mij, naar aanleiding van mijn bespreking van zijn Leven en werken van Louis Couperus, dat ik een ‘van a tot z onware en verdraaide voorstelling van zaken’ heb gegeven, toen ik beweerde, dat hij verzuimd had Couperus met buitenlandsche maatstaven te meten. Hij staaft zijn bewering met verschillende namen van buitenlandsche auteurs die hij genoemd heeft. Ik wil niet nalaten, dit op uitdrukkelijk verzoek van de heer Van Booven te vermelden, al brengt het niet de minste verandering in mijn opinie, dat de heer Van Booven juist hier te kort geschoten is; want het noemen van namen alleen is niets, het gaat om de karakteristiek; en die is bij den heer Van Booven ten eenenmale zoek. Hij springt van de eene anecdote op de andere, zonder eenige poging tot synthese, en daarom handhaaf ik mijn these zonder voorbehoud.

Verder beweert de heer Van Booven, dat ik zijn voorrede niet heb gelezen, omdat mij daaruit zou zijn gebleken, dat hij alleen ‘feiten en beschouwingen’ wilde geven, zulks in overeenstemming met Couperus' eigen wensch. Nu lijkt het mij psychologisch een zwak argument van den heer Van Booven, dat hij veronderstelt, dat een recensent juist een voorrede niet zou lezen; van de rest zijn wij misschien niet altijd voor 100 pct. zeker, maar van de voorrede wel. Ik betwijfel echter (daarom gaat het) ten sterkste, of het Couperus' wensch is geweest, zoo in stukjes te worden gehakt, als dat bij den heer Van Booven geschiedt, ook al noemt hij die stukjes dan euphemistisch ‘feiten en beschouwingen’.

Ik wijs er ten overvloede nog eens op, dat ik de goede bedoelingen en de kennis van het materiaal van den heer Van Booven uitdrukkelijk in mijn beschouwing heb erkend. Hij stelt daartegenover een insinuatie over het lezen van voorredes, waar ik hier verder niet op in zal gaan.

 

M.t.B.