Rationalisme en mysticisme

Trotski herdenkt Loenatsjarski
De aestheet verloochent zich nooit

Men kan de menschen, onder meer, in twee typen verdeelen, die elkaar in alle opzichten tegenspreken, ook als zij dezelfde woorden gebruiken: de rationalisten en de mystici. Er bestaat tusschen de extreme vertegenwoordigers van die twee geestesgesteldheden geen brug. Zij mogen tot dezelfde partij behooren, dezelfde ideeën zijn toegedaan, in hetzelfde milieu verkeeren; dat alles verandert niets aan het feit, dat wij voor elkaars gedachtenwereld geen orgaan hebben. De rationalist verkettert den mysticus als een zwendelaar met gevoelsargumenten, de mysticus verwijt den rationalist, dat hij leeft in de geborneerde sfeer van de dorre analyse, die eigenlijk geen leven mag heeten.

Een verzoeningsmogelijkheid is er niet, hoogstens de kans op een compromis, waarin beide partijen besluiten een soort godsvrede te handhaven en om der wille van één of ander van buiten opgelegd principe den schijn van samenwerking te bewaren.

Men vindt deze twee contrasteerende typen niet alleen in het West-Europeesche cultuurgebied, maar overal, waar zich menschen een verhouding tot het leven willen scheppen. Heele perioden van de geschiedenis pleegt men, al dan niet ten onrechte, te classificeeren door hier den nadruk te leggen op het verstandelijke, redelijke, weloverwogene, koele (classicisme), daar op het gevoelselement, het irrationeele, impulsieve, sentimenteele (romantiek). Ik laat voor het oogenblik daar of de tegenstelling in dezen algemeenen vorm juist is; in ieder geval wordt zij dikwijls zoo gemaakt en daaruit kan men reeds afleiden, dat het feit van de tegenstelling, den menschenlijken geest altijd heeft geboeid.

Trotski de rationalist

Niet onaardig is het, in verband met het hierboven betoogde, het contrast onder de dragers van de nieuwe Russische cultuur terug te vinden. Trotski, de verbannen ex-volkscommissaris, schrijft in de Nouvelles littéraires een artikel ter herdenking van den pas overleden Loenatsjarski, wiens dood wij onlangs gemeld hebben en over wiens auteurschap en werkzaamheid in het belang van de Russische volksontwikkeling wij bijzonderheden hebben gegeven. Het artikel, dat opnieuw een getuigenis aflegt van Trotski's scherpen, zij het dan ook marxistisch dogmatischen geest, demonstreert zeer helder hoe de rationalist den mysticus, of den ‘idealist’ portretteert, als men het type zoo liever noemen wil. Trotski heeft een afkeer van den gevoelsmensch, van den ‘dilettant’, zooals hij het pleegt te qualificeeren; zijn voorliefde voor het logische argument in dienst van een onverbiddelijk proces, de proletarische revolutie, verbiedt hem erkenning van zijn antipode. Een intellect als dat van Trotski was waarschijnlijk zelfs zijn partijgenooten en medestrijders te onmeedoogend, en men heeft hem dus in de verbanning gezonden; maar als balling blijft hij met het onverzettelijk élan van den hartstochtelijken verstandsmensch op zijn post voor hetgeen hij als de wetmatigheid van het gebeuren beschouwt. De pen van Trotski is scherp en zijn argumentatie is gefundeerd.

In zijn autobiografie heeft Trotski reeds een merkwaardig beeld geteekend van den ‘idealist’, zooals bij hem ziet en bestrijdt; een portret van den Zwitserschen socialist Ragaz, dat frappante overeenkomsten vertoont met het portret, dat hij thans van Loenatsjarski geeft:

‘Bij de gesprekken, die ik met hem voerde, gevoelde ik naast hoogachting voor dezen eminenten man bijna physiek een dunnen, maar ondoordringbaren sluier tusschen ons. Hij was in hart en nieren mysticus en ofschoon hij niemand zijn geloof trachtte op te dringen, noch het zelfs noemde, omgaf hij in zijn spreken zelfs de gewapende macht met een adem van het hiernamaals, die mij een koude rilling gaf. Sedert ik was gaan denken, was ik eerst intuïtief, daarna bewust materialist; ik had niet alleen geen behoefte aan een andere wereld, maar ik kon nooit een psychologische brug vinden tot die menschen, wien het gelukt tegelijk Darwin en de heilige Drieëenheid te erkennen’.

Duidelijker en eerlijker kan, dunkt mij, de rationalist zichzelf en zijn verhouding tot den ander al niet formuleeren. De sluier, de brug: die beelden zijn volkomen helder. Men zou alleen kunnen zeggen, dat het inconsequent van Trotski is, als hij desondanks tracht een ‘brug te slaan[’], door zijn tegenstanders te karakteriseeren; maar dat is één van die inconsequenties, waardoor het leven bestaat en sterker blijkt te zijn dan de theoretische erkenning van eigen beperktheid. Trotski is bovendien niet een scepticus, maar een man van actie en als zoodanig ‘slaat hij de brug’ ieder oogenblik, in het belang van zijn strijdmethode.

Tegen het ‘gevoelscommunisme’

Wat Trotski over Loenatsjarski zegt, vertegenwoordigt dus ook den kijk van den rationalist op den gevoelsmensch, den gevoelscommunist in dit geval. Het is een curieuze karakteristiek, gegeven met alle waardeering, die de tegenstander kan voelen, maar niettemin met een kern van onverzoenlijke vijandschap.

‘Al op de schoolbanken’, zegt Trotski, ‘verraste Loenatsjarski door zijn veelzijdige talenten. Hij schreef, zij het dan ook verzen, nam gemakkelijk de philosophische stelsels op, droeg prachtig voor op studentenbijeenkomsten, was een redenaar van den eersten rang en zijn litterair palet had geen gebrek aan kleuren. Als jongeling van twintig jaar was hij in staat een exposé over Nietzsche te geven, ruzie te zoeken over den kategorischen imperatief, de waardetheorie van Marx te verdedigen en eenparallel te trekken tusschen Sophocles en Shakespeare. Zijn buitengewone begaafdheid ging gepaard met het verkwistende dilettantisme van de aanzienlijke “intelligentsia”, dat vroeger zijn meest superieure uitdrukking had gevonden in den persoon van Alexander Herzen’.

Met veel ironie teekent Trotski zijn man hier als den idealistischen ‘verkwister’, vaardig in het opnemen, gemakkelijk zich assimileerend aan allerlei kanten van het leven, maar (de ironie vooral zegt het) eigenlijk incapabel tot de ‘groote lijn’.

‘Het zou onjuist zijn zich Loenatsjarski voor te stellen als een man van taaie wilskracht en veel weerstandsvermogen, als een strijder, die niet naar rechts of links zag. Neen, zijn vast-houdendheid was zeer – al te zeer, zooals het velen van ons toescheen – elastisch. Het dilettantisme zetelde niet alleen in zijn denken, maar ook in zijn karakter. Als redenaar of schrijver week hij van de rechte lijn af. Het kunstzinnige beeld sleepte hem dikwijls mee, ver van de ontwikkeling der grondgedachte. Loenatsjarski was te zeer gevoelig voor alle philosophische en politieke nieuwigheden, om zich niet te laten meelokken en niet met die nieuwigheden te spelen.’

Aestheet altijd en overal

Trotski geeft dan bijzonderheden uit het leven van dezen aestheet-revolutionnair en komt daarbij te spreken over de vriendschap tusschen Loenatsjarski en Maxim Gorki.

‘Gedurende de vier jaren reactie (1908-1912), toen de kinderen der “intelligentsia’ als door een epidemie getroffen tot het mysticisme overgingen, betaalde Loenatsjarski, samen met zijn boezemvriend Gorki, ook zijn tol aan het mystieke streven. Zonder met het Marxisme te breken begon hij het socialistisch ideaal te propageeren als een nieuwen vorm van godsdienst en hij hield er zich ernstig mee bezig een nieuw ritueel te zoeken.’ Men hoort de ironische minachting in de stem van den nationalist... Later sloot Loenatsjarski zich weer bij de communisten aan (1917), maar ook toen, zegt Trotski glimlachend, bleef hij wie hij was.

‘Het had weinig gescheeld, of hij had op het critiekste moment met de partij gebroken, toen in November 1917 te Moskou het bericht binnenkwam, dat de bolsjewistische artillerie de kerk van den Heiligen Basilius had vernield. De minnaar van de kunst vergaf een dergelijk vandalisme niet!’

Kostelijk trekje: de aestheet avant tout, die in de stormen der revolutie in de eerste plaats toch aan museumschatten blijft denken!

Loenatsjarski als tooneelschrijver

Als commissaris voor de volksontwikkeling had Loenatsjarski gelegenheid te over om zijn idealen in practijk te brengen. ‘De minister der revolutie was niet slechts een kenner en liefhebben van het tooneel, maar ook een vruchtbaar tooneelschrijver. Zijn stukken geven een kijk op zijn veelzijdige kennis en belangstelling; zij getuigen van een verrassend gemak om in de beschavingsgeschiedenis der verschillende landen en tijdperken door te dringen, en van een niet alledaagsche gave om eigen vondsten met ontleeningen te combineeren. Maar ook van niets meer. Zij dragen niet het stempel van een werkelijk scheppend genie.’

Eigenlijk is dit laatste oordeel voor Loenatsjarski vernietigend, maar de oprechtheid tegenover den tegenstander, waarmee het wordt uitgesproken, is voor een figuur als Trotski eervoller dan een slappe herdenkingsrede zonder fond had kunnen zijn.

 

M.t.B.