F.E.A. Batten
aan
Menno ter Braak

Den Haag, 9 april 1935

Den Haag, 9 April 1935

125 Sportlaan 125.

 

Zeer geachte Heer Ter Braak,

Hartelijk dank voor Uw prettigen brief - Ik heb er nu een soort plezier in om Uw oordeel over of achter mij te hooren: soms stelt Uw ‘psychologie’ mij teleur... Nog steeds ziet U mij aan voor een wellusteling, die zich bij iedereen met de vormen versiert (accenten, gebaren en woorden) waarmee hij den toeschouwer bedriegt òf op stang jaagt. U hebt dan nog steeds een puberteitsvorm van mij op 't oog, die ik nu nog alleen heb als ik mij plotseling bespied voel. Dit is waarschijnlijk het ‘wantrouwen’ (de ‘kwetsbaarheid’, volgens de heer Du Perron) dat ik naar 't schijnt bij U aan den dag leg! In den grond van alles ben ik op zoo'n oogenblik even onrustig, ongeduldig, kinderachtig als U. Zoolang ik (nog) niet genoeg over geheele lichamen heenstaar, niet genoeg de feiten durf te bespotten, behoud ik die puberteitsrest een tijdje, - overigens ben ik in orde, d.w.z. spotziek genoeg - Ik heb soms geen lust om mijzelf te verklaren aan hen die zich niet te veel over mijn bestaan ‘verontrusten’. ‘Je n'ai pas non plus de grandes inquiétudes en leur absence,’ schreef LaRochefoucauld over zijn vrienden, waarschijnlijk zou ik hem bij zijn vriendin alleen hebben gelaten - Het was Uw grootste vergissing mij over te hevelen naar een leeftijd, die, ik niet heb: ik heb werkelijk nauwelijks geleefd, bijna alleen maar geroken en eigenlijk nog pas bij schokken gedacht - Misschien heb ik dus nog allerlei vlottende vormen, dit nu ook physiek bedoeld. Ik ben niet altijd of niet lang genoeg in één vorm (de man die lang of dik is, heeft bij voorbaat zijn lengte of zijn buik vóór.) Daarom is het mij niet gegeven om een situatie vol (plotselinge) spionnen direct te beheerschen. Ik ben er nog steeds niet gewapend op.

Bovendien ben ik waarschijnlijk niet rijk aan de vormen die U bedoelt. Ik vind 't dikwijls voldoende, dat mijn gevoel bij voorbaat betrouwbaar is, hoè zich dat gevoel uit is dikwijls een ander belang - Intusschen heb ik een tijd geleden (omstreeks 1932 naar Rotterdam o.m.) walgelijke brieven geschreven; een gemaniëreerde, gemarineerde schrijfvorm als gevolg van een gebrek aan formules en een overvloedig vertrouwen. Dat die schriftelijke draailust nu nog zou bestaan is een archaeologische fictie van U, een idée-fixe voor 80% of een soort vitterij...

Zoolang ik niet lieg, heb ik er ook maling aan, bovendien zult U zich mijn geval op-den-duur niet aantrekken. Voorloopig schijn ik U voor 80% beter te schrijven dan met U van gedachten te wisselen (deze gemeenplaats geef ik vrij). Het papier is zeker bij mij eentoniger dan het gesprek... Zoodra ik evengoed zwijg als spreek zou ik - vol tact - ook voor U kunnen bestaan!

Hierbij zend ik U een omgewerkt fragment. Hoe ‘murw’ de heer V. hiervoor is bepraat, menschelijkerwijs heb ik hem nooit als vleesch gezien, veel eerder als een gebogen of schichtige lijn. Als ‘sprekende man’ interessert hij mij tot nu toe langs een omweg, via de charges van Rudie bijv. Als litterator is hij natuurlijk ook voor mij een z.g. verheugende verschijning in ons land, behalve een eigenaardige, onpersoonlijke persoonlijkheid, tusschen inkt in en bloed -

De enveloppe heb ik als ‘inwendig gebruik’ achter de rug. Ik zal 't nooit misbruiken - voor de vorm schrijf ik U dat ook.

Ik zend U vast iets toe, wanneer ik tenminste weer iets heb. Op 't oogenblik onderga ik de ergste warmteloosheid die ik ooit heb gehad. (gebrek aan een sanguinische vrouw vermoedelijk) Ertusschen door denk ik serieus aan een roman waarin ik mij in drie volledige ‘vormen’ zou willen zien handelen, als polen die elkaar niet per se vijandig behoeven te zijn. Een schema voor de mannelijke rollen: een jongen in Indië (met een familiewapen uit de V.O.I.C. boven zijn naam, en met, wat men noemt een sanguinische jeugd), een knaap in Holland, een kruising van twee types (een harmonische jeugd, een vrijzinnig Christen vermoedelijk), en een jongeman in Europa, een intellectueele student, lid van alle disputen èn een vriend van Graf Coudenhove-Calergi, een schoft kortom die den geest heeft. Mijn gezondheid, waartoe U de publicatiedrift telt, is overigens niet in orde. Als er morgen oorlog, muiterij of een overstrooming zou zijn, zou ik misschien weer acuut kunnen leven. Ik stel mijn genus òf mijn genie blijkbaar iederen dag uit.

Hartelijke groeten

VanUw

Fred Batten

Naschrift
16 April 1935

Ik ben verbazend laat met de toezending van het fragment, - ik hoop niet te laat? Het bewuste hoodstuk (III) vond ik al te veel een vertelling, met invoegingen uit de inleiding wou ik het ook het karakter geven van het conflict -: men kan nu ook weten waarom ik op een reeks anecdotes zoo wellustig gebrand was. Tegelijk moest ik er aan denken, dat het een fragmentarisch karakter moest houden. Het is nu eigenlijk een omwerking geworden van 3 hoofdstukken. Hoe groot de plaatsruimte was wist ik bij lange na niet. Rudie schatte op de lengte van Parc-aux-cerfs, ik wist 't niet. Ik heb dus ook het schommelende gevoel gehad bij 't copieëren en bewerken, dat ik een bepaalde ruimte inliep, waar één heer op mij wachtte, een ander op een pennehouder zoog of door zijn bril keek, de derde in zijn sluimering pruttelde.

U begrijpt dat ik U nu vol ootmoed mijn stukje (in de nacht) breng, maar God is goed.

F

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie