Menno ter Braak
aan
Cor Bruijn

14 juni 1937

14 Juni '37

 

Zeer geachte Heer Bruyn

Dank voor U belangstellenden brief. Ik vrees, dat wij van die mevr. Douwes Dekker jr. nog wel een of anderen coup de théâtre zullen hebben te verwachten. Het beroerde bij zulke dames is, dat zij door hun toon van vrouw-en-moeder dadelijk aanhang weten te verwerven bij andere vrouwen-en-moeders, die er overigens niet over nadenken en er zeker geen been in zien Multatuli's nagedachtenis rustig te laten bekladden, als het moet, zelfs tegen de feiten in. Ik zond mevr. D.D. de copie der brieven, om haar zooveel mogelijk ter wille te zijn, nadat zij zich schriftelijk verplicht heeft, zich daarvan slechts voor persoonlijk gebruik te zullen bedienen tot de publicatie in Gr. Ned. Maar ik vertrouw het zaakje maar half. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Montijn haar advocaat was, niet alleen figuurlijk.

De zucht van den heer v.d.H., om uit deze zaak voordeel te slaan, is weinig sympathiek. Mocht U hem zien, deelt U hem dan gerust mee, dat ik, om de publicatie in één nummer (Aug.) mogelijk te maken, direct van het honorarium heb afgezien, behalve dan dat voor de paar pagina's inleiding, die mij meer toekomen, dunkt mij, dan den heer v.d.H. Werd de publicatie normaal gehonoreerd, dan zou die vermoedelijk (berekend op 40 pag.) f 100 hebben opgebracht, en Gr. Ned. zou daarvoor andere bijdragen hebben moeten laten liggen, hetgeen ik niet wilde en voor de redactie practisch onmogelijk zou zijn geweest, of de zaak over 3 nummers hebben moeten verdeelen, hetgeen ik nog minder wilde. Nu alles gratis gebeurt, kan de redactie de meerdere dikte en zetkosten van dat Aug. nummer bekostigen met mijn ‘geschonken’ honorarium. Het is misschien niet kwaad, dat de heer v.d.H., die een zakenman is, dat terloops eens hoort, want anders krijgt hij misschien een complex, in de waan, dat hij een goudmijn aan mij heeft gedaan voor niets. - Als er van die f 100 sprake zou zijn, zou ik ze niet alleen opgestreken hebben, al komt het mij voor, dat U in dat geval meer een part was toegekomen dan den heer v.d.H., maar hoe het ook zij, de mogelijkheid behoeft niet eens onder oogen te worden gezien, want er is nooit sprake van geweest!

Wat mij in deze quaestie weer zoo bijzonder opvalt, is het instinctief verzet tegen de waarheid. Juist omdat mr. Montijn c.s. nog niet weten, wat er precies aan het licht zal komen, trachten zij door de ‘chantage met de redelijkheid’ de waarheid al bij voorbaat te verdonkeremanen. Enfin, ik mag zooiets wel, zoolang de tegenpartij tenminste fair blijft, zooals de heer Montijn ongetwijfeld gebleven is.

Over Uw boek schrijf ik nu ook maar een paar maanden later, om objectief te blijven. Momenteel zou ik U slechts als bondgenoot de hand willen drukken, en dat is voor een criticus geen goede geestestoestand.

m.v. gr.

uw Menno ter Braak

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie