Briefwisseling Menno ter Braak - A.G. Douwes Dekker - Post van Leggeloo

A.G. Douwes Dekker-Post van Leggeloo
aan
Menno ter Braak (Den Haag)

[voor 8 juni 1937]

Arnhem 51 Van Heemstralaan

Den weled. Zeer gel. Heer Dr. M. ter Braak

redactie van Het Vaderland

te Den Haag

 

Weledelzeergeleerden Heer,

Ik moge U hierbij copie toen toekomen van mijn schrijven aan den heer J.H. van der Hoeven te Hilversum.

Ik moge op gelijke gronden als daarin vervat U verzoeken mij omgaand te doen toekomen de correspondentie waarop Gij uw diffameerend oordeel omtrent mijn overleden echtgenoot hebt meenen te kunnen vestigen en dit samenvattend oordeel hebt meenen te mogen publiceeren zelfs maanden voor de in uitzicht gestelde publicatie.

U wilt mij wel verontschuldigen, wanneer ik volsta met dezen brief te onderteekenen.

Mevrouw A. Douwes Dekker jr.

 

[meegestuurde kopie:]

 

copie

 

Arnhem 51 Van Heemstralaan

Den weledelgeboren Heer

J.H. van der Hoeven

Handelsagent

 

Weledelgeboren Heer,

Ik zie uit een publicatie van dr. M. ter Braak in het Vaderland van 31 Mei j.l. dat U een serie brieven tot zijn beschikking heeft gesteld ter publiceering, afkomstig van wijlen mijn schoonvader en o.a. handelend over verhoudingen die tusschen een zekere Heer J. v.d. Hoeven en wijlen mijn echtgenoot (zoon van Multatuli) zouden hebben bestaan.

Volgens de publicatie van Dr. Menno ter Braak zou uit die brieven blijken, dat wijlen mijn echtgenoot zich als een dief en oplichter heeft gedragen.

Dr. ter Braak publiceert een brief die aan die opvatting schijnt voet te geven en deelt mede dat de publicatie van de serie zal plaats hebben in Augustus.

Het zal duidelijk zijn, dat ik niet kan toelaten, dat het Nederlandsche publiek op die wijze wordt voorgelicht in een samenvattend oordeel gegrond op documenten wier kennisneming aan het publiek en mij zou worden onthouden tot in Augustus. Het is denkbaar dat de brieven de meening van Dr. ter Braak wettigen, maar ook het tegendeel zou het geval kunnen zijn. Indien ik de al dan niet juistheid van de opvattingen van dr. ter Braak pas zou kunnen beoordeelen na Augustus, zou weerlegging nauwelijks meer helpen.

Daar U blijkbaar afschrift aan dr. ter Braak heeft verschaft, meen ik U te mogen vragen mij omgaand eveneens een stel afschriften te doen toekomen.

Ik veroorloof mij voorts U te vragen of voor zoover U weet de erfgenamen van de quasi benadeelde heer van der Hoeven wijlen mijn man die sinds 1891 wederom hier te lande heeft gewoond om teruggaaf van het ‘gestolen’ geld heeft verzocht.

Mij is n.l. van deze heele geschiedenis niets bekend. Ik mag opmerken dat ik dit schrijven aan U evenals van uw antwoorden meen te mogen gebruik maken bij eventueele publicaties. Had U deze inlichtingen misschien ook reeds aan dr. Pee verstrekt. Mijn adres is 51 Van Heemstralaan Arnhem.

Afschrift dezes zend ik aan Dr. ter Braak met een schrijven waarvan ingesloten een copie

Achtend

Mevrouw A.G. Douwes Dekker

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie