Menno ter Braak
aan
A.G. Douwes Dekker-Post van Leggeloo

Den Haag, 8 juni 1937

Den Haag, 8 Juni 1937

Parkstr. 25

 

Mevr. E. Douwes Dekker-Post van Leggeloo

Van Heemstralaan 51, ARNHEM

 

Zeer geachte Mevrouw

Door dezen bericht ik U de ontvangst van Uw brief en copie van brief aan den Heer J.H. van der Hoeven. Daaruit blijkt mij, dat U zich een volkomen verkeerd oordeel hebt gevormd over de wijze, waarop de correspondentie in quaestie in mijn handen is gekomen, en eveneens over de motieven, die bij den Heer Van der Hoeven en mij voorzitten. De toon, waarin uw schrijven is vervat, maakt den indruk, alsof U den Heer v.d. Hoeven en mij van een soort complot tegen de nagedachtenis van Uw echtgenoot verdenkt; niets is minder waar. De Heer v.d. H., die in het bezit was van de brieven, was in het geheel niet op de hoogte van de polemiek tusschen U en dr. Pée, en slechts een toeval bracht mij in kennis met de aanwezigheid van deze correspondentie. Daarop heeft de Heer v.d.H. op mijn verzoek de brieven voor publicatie afgestaan, geheel belangeloos en omdat hij, evenals ik, van meening was, dat de belangrijke inhoud zulks uit wetenschappelijke overwegingen wettigde. Noch hij, noch ik hebben ooit eenig persoonlijk of schriftelijk contact gehad met Uw echtgenoot, en het is een zeer pijnlijke bijkomstigheid, dat deze publicatie ook zijn naam in het geding moet brengen. Dat was echter niet te vermijden na het verschijnen van het boek van dr. Pée en Uw Open Brief, die Multatuli van valsche voorstelling betichtte. Ik heb geenszins een voorkeur voor het openbaar maken van particuliere aangelegenheden, maar de nagedachtenis van Multatuli is nu eenmaal punt van discussie geworden; wanneer ik dus materiaal ontdek, dat nieuw licht brengt in een eenmaal tot de openbaarheid toegelaten zaak, kan ik - dat zult U mij wel willen toegeven - onmogelijk zwijgen. Van eenige animositeit tegen E. Douwes Dekker Jr. kunt U mij niet verdenken; hij is voor mij een figuur in het drama Multatuli, dat aan de orde is.

Hoewel noch de Heer v.d.H., noch ik bijzonder geestdriftig zijn over den uiterst onwelwillenden toon, die U tegen ons meent te moeten aanslaan, heb ik van den Heer v.d.H. machtiging U te berichten, dat hij U de correspondentie, die U om begrijpelijke redenen interesseert, in afschrift ter inzage wil afstaan, wanneer U zich wilt verplichten daarvan geen gebruik te maken door publicatie of tegenover derden voordat de brieven in Groot-Nederland zijn verschenen. Doorslag van dit afschrift berust bij mij, zoodat ik gaarne nader bericht van U tegemoet zie.

Uit een bijlage moge U blijken, dat Het Vaderland er prijs op stelt pro en contra aan het woord te laten.

Inmiddels, met de meeste hoogachting,

 

Doorslag: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie