Briefwisseling Menno ter Braak - F.J.H. Lousberg

F.J.H. Lousberg
aan
Menno ter Braak

Maastricht, 27 oktober 1930

Maastricht, 27 October 1930

 

Zeer Geachte Heer,

In Uw artikel ‘Waarom ketters’ heeft de Zinsnede ‘dat wij aan de vergissing der hervorming hebben meegedaan, door niet in Limburg geboren te zijn’ mij onaangenaam getroffen. In het Noorden beschouwt men de geboren Limburgers dus nog steeds als persé Katholiek! U veroorlooft mij op te merken, dat dit niet geheel juist is. Het dwaze gekoketteer der Gemeenschap met het Katholieke Zuid Limburg stijft de Noord Nederlander telkens opnieuw in die verkeerde mening. Het wordt dan ook hoog tijd, dat hiertegen - en vooral na het Zuid Limburg nummer der Gemeenschap - eindelijk eens een protest opgaat.

U sta mij toe U in het kort een en ander duidelijk te maken.

Vóór de oorlog was in Maastricht een groepje on-godsdienstige jongelui - allen van katholieke ouders - wier eenige belangstelling litteratuur en kunst betrof. Tot die groep behoorde - om enkel de nu ook in het Noorden bekend geworden leden te noemen - H. Jonas, Ch. Nijpels en C. Vos. Alléén de laatste practiseerde, ging dus naar de mis etc.. De overigen waren en zijn nog (uitgezonderd Jonas die sedert eenige jaren weer practiseerend katholiek is) franchement moderne heidenen (ketters!).

Zonder overdrijving kan ik zeggen, dat de doorsneê Maastrichtenaar, ik bedoel die van de betere standen, zoo treurig weinig cultuur heeft, dat het heelemaal niet op aan komt of hij katholiek is of niet. Ik wil U slechts inlichten over wat wij, oude [salereurs?], denken over de geste der Gemeenschap als groep.

Eerst op rijperen leeftijd kwamen wij, enkele jaren geleden, met de Gemeenschaps's lui in aanraking. Voornamelijk door middel van onzen goeden, ouden vriend P. Vos. Wij sympathiseerde met hun frisschen durf als auteurs, hun katholicisme namen wij, onverschillig, op den koop toe. Na een feest door ons ter eere van H. Jonas georganiseerd en waaraan de staf der Gemaanscahp en grand complet heeft deelgenomen, beschouwden wij ze als vrienden en goede kennissen. Vooral Engelman toonde een groeiende belangstelling voor Jonas en onzen groep en bovendien trekt hem de Maastrichtsche levenssfeer bijzonder aan. Dit alles heeft ons als groep zeer verheugd, in ons isolement was ons direkte voeling met de Noorder Provincies beslist welkom. Toen kwam de politiek!

In den beginne reeds hadden wij, Mtr. ketters, er ons over verwonderd, dat er een litterair tijdschrift (de Gemeenschap) kon bestaan, dat onder kerkelijke censuur stond, dat de daarin verschijnende publicaties de approbatie behoefde - al was het in schijn - van een pastoor of kapelaan! Wij beschouwden dit als zoo onnoozel, dat we het geen verdere aandacht waard vonden. Anders werd dit toen ons uit het verloop van het Nolens relletje bleek, dat de ‘Gemeenschap’ zich onvoorwaardelijk ging onderwerpen aan het verbod van den bisschopom politieke meeningen en appreciaties en désaprouveningen in hun orgaan te publiceeren die hen niet welgevallig waren. Hun houding werd toen door ons even sterk gelaakt als door in Uw opstel. Trouwens - dit en passant gezegd - U slaat de spijker zoo vaak op den kop, dat wij waarlijk benieuwd zijn hoe de ‘Gemeenschap’ er zich uit zal kletsen.

Er zijn natuurlijk toen wij Engelman te pakken kregen hevige discussies gevolgd over deze voor de Gemeenschap zoo smadelijke Nolens affaire. Per slot van rekening heb ik - ook in verband met andere dingen - in een brief aan Engelman mijn standpunt (tevens het standpunt mijner medebroeders heidenen) uiteengezet. Dit komt op het volgende neer en waaruit U tevens zal blijken hoe dwaas ons die Gemeenschaps schwärmerei met het katholieke Zuid Limburg aandoet.

Vanaf zeker theoretisch historisch moment is de Europeesche cultuur van dragers veranderd. Niet meer de Roomsche geestelijken, doch de leeken en ketters werden de aanvoerders, de dragers van het steeds verder evolueerende intellectueele en artistieke leven. In de achtiende eeuw waren deze aanvoerders atheisten zonder meer, aan den spits stond Frankrijk!

Zoo mijn geheugen mij geen parten speelt herinner ik mij fransche boekjes gezien te hebben die in de 18e eeuw / begin 19e eeuw te Maastricht gedrukt waren. U kunt begrijpen, dat de clergé het ijverig lezen van Voltaire, Rousseau en Encyclopaedisten in het toenmalig soldatesque Maastricht niet verhinderen kon. Onze grootvaders, en vaders lazen geen Nederlandsch, doch Fransch! De ontwikkelde Maastrichtenaar (bijv. de generatie die omstreeks 1860 geboren was) las Hugo, de Musset, Renan. Deze waren natuurlijk allen liberalen, de meeste gingen niet naar de kerk. Wij - de zonen en kleinzonen - begonnen met de Musset, Balzac, de duitsche en engelsche romantiek, later de hollandsche tachtigers en de fransche symbolisten (Baudelaire natuurlijk werd voor ons een tijd de groote) Gezelle was de eenige katholieke dichter die wij lazen en waarachtig niet om zijn katholiciteit! Het katholicisme van Frans Erens is ons nooit bijzonder concreet geworden.

U ziet dus dat het ferment van de 18eeuwsche réveille ook in Maastricht heeft doorgewerkt. En wij mogen zeggen te veel historisch begrip te hebben om onze culturele afstamming hiervan te loochenen. Wij zijn ons bewust, dat de vorm van onze sensibiliteit en de structuur van onzen geest niet anders dan modern heidens kán zijn. Een herleven van religieuze gevoelens - van moderne levens-mystiek - sluit dit niet uit! Ook beseffen wij, dat geen echte of kunstmatige katholieke reveille (het zij zuiver religieus of politiek) ook maar iets kan veranderen. Ook zal het U nu verder niet bevreemden, dat wij, met den hoogmoed ketters en goddeloozen eigen, elke inmenging van welke geestelijkheid dan ook inzake cultuur - zooals litteratuur, kunst, philosophie, politiek - beslist van de hand moeten wijzen. Of beter gezegd wij kunnen ons een dergelijke inmenging niet meer indenken. En dit nu is de carrefour waar Gij kettersche Noord Nederlanders en wij goddelooze Zuid Limburgers ons treffen! Rome is een mummie. Het Katholicisme (voor U het Christendom) een historische merkwaardigheid die wij, als belemmering om het leven eerlijk en mannelijk te aanvaarden, versmaden.

U sta mij tenslotte toe er met nadruk op te wijzen dat deze brief enkel een zakelijk protest is. Geen enkele animositeit tegen een der Gemeenschap's leden zit voor. De in dezen brief meergenoemde Heer Engelman is ons als mensch inderdaad sympatiek; hij toont als litterator eigenschappen (of als een mensch een temperament) waardoor hij ons nader staat, dan andere niet genoemde zijner bentgenooten.

Ik hoop met dezen brief mogelijk valschen noties over Maastrichtsche vrienden der Gemeenschap te hebben gerectificeerd. De Heer Jonas gaat met mijn meeningen vanzelfsprekend niet accoord. Wil mijn slecht schrift en gebrekkig Nederlandsch excuseren!

Met de meeste Hoogachting

Uw dw F.J.H. Lousberg

 

adres:

F.J.H. Lousberg

Alex. Battalaan 23a

Maastricht

 

Origineel: Den Haag, Letterkundig Museum

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie